Snor

(locustella luscinioides)

 

De Snor is iets minder schuw dan de iets kleinere Sprinkhaanzanger. De bovendelen zijn ongestreept warm bruin, de onderdelen zijn lichter, de flanken warm geelbruin.

De oostelijke ondersoort fusca is kouder bruin op de bovendelen en heeft een gevlekte borst.

Zijn snorrende zang is luider en lager, sneller (de afzonderlijke tikken zijn moeilijker te onderscheiden) en in kortere series dan die van de Sprinkhaanzanger. Zijn roep is een scheldend tswik en pwit.

Rietvelden in moerassen.

In Nederland en België een broedvogel.

 

L 14 / SW 18-21 / B