Auerhoen

(tetrao urogallus)

 

Dit is de grootste hoender, ter grootte van een kalkoen. De haan is donkergrijs met bruine vleugels, wat wit op de flanken en een lange brede rechte staart. Hennen en juvenielen verschillen van de veel kleinere korhoenders door de kastanjebruine borstvlek, de witte tekening op de flanken en een rechte staart. Bij alarm kunnen beide geslachten de nek- en keelveren als 'bakkebaarden' opzetten.

De ondersoorten aquitanics (Pyreneeën, NW-Spanje) en rudolfi (Karpathen) zijn kleiner en donkerder.

De ondersoort taczanowskii (Z-Rusland) is groter en met een witte buik.

De 'Rackelhahn' is een af en toe voorkomende hybride tussen de Auerhoen en Korhoen, meestal een mannetje. Hij is intermediair in grootte en staartvorm. De Auerhoen hybridiseert soms ook met de Fazant.

De vlucht is een afwisseling van snelle snorrende vleugelslagen en een glijvlucht op omlaaggebogen vleugels. Hij zit en foerageert in bomen, van waaruit hij met veel lawaai wegvliegt.

De haan heeft een rauw keelgeluid, de hen een fazantachtig kok-kok. Zijn opmerkelijke zang begint met een resonerende ratel, gevolgd door ploppende (als uit een fles getrokken kurk) en gorgelende geluiden, eindigend met geruis van tegen de grond slaande vleugels.

Naaldbossen in heuvel- en berggebieden. 

Niet in Nederland, in België uitgestorven.

 

L 60-87 / SW 87-125

Maak jouw eigen website met JouwWeb