Kokmeeuw

(larus ridibundus)

 

De adult in de zomer heeft een chocoladebruine kap (niet tot op het achterhoofd), in de winter is de kop wit met een zwarte oorvlek. Hij heeft een opvallende witte voorrand van de handvleugel, geen witte vlekken in de zwarte vleugelpunt. De poten en de snavel zijn rood. Juvenielen zijn zwaar warmbruin gevlekt. Eerstewinter vogels hebben nog bruine vlekken op de vleugels, veel eerstezomer broedvogels hebben nog geen volledige kopkap.

Zijn vlucht is krachtig en verend over langere afstanden, soms meer fladderend en bijna sternachtig. De vleugelslagen zijn zichtbaar sneller dan bij de Stormmeeuw. Hij duikt soms vanuit de lucht in het water.

Zijn roepen zijn krassend en gevarieerd, vaak een rauw kraaah.

Venen, moerassen, eilandjes in meren, duinen. In de winter aan kusten en in estuaria, ook veel in het binnenland aan zoetwater en op bouwland. Een typische stadsvogel in NW-Europa.

In Nederland en België talrijk.

 

L 34-37 / SW 100-110 / BJ

Nest

 

De Kokmeeuw nestelt voornamelijk aan stilstaand en weinig stromend zoetwater, waarvan de oevers dichtbegroeid zijn met riet en rietgras. De talloze kolonies die van enige paren tot vele duizenden paren tellen, treft men aan op zandplaten, duinpannen, laaggelegen vochtige weilanden en op polletjes, eilandjes en dergelijke in poelen, plassen, meren en vennen.

De nesten kunnen op het vaste land of in dichte vegetatie van waterplanten gebouwd zijn. Ze kunnen soms zo liggen dat zij volledig rondom in het water liggen. Ze worden door beide ouders gebouwd van riet, biezen, zeggen, grassen en ander plantaardig materiaal. In tegenstelling tot de nesten op het land, die dan vaak slechts uit wat losse stengels bestaan, kunnen de nesten in het water tot machtige bouwwerken uitgroeien waarvan het fundament tot op de grond reikt.

Het volledige legsel bevat meestal 3 eieren. Zodra er meer dan 4 eieren in het nest zijn, behoren deze toe aan 2 vrouwtjes die in hetzelfde nest hun eieren hebben gelegd. De schaalkleur is variabel, zelfs bij eieren van hetzelfde legsel. De grondkleur is van licht zandkleurig tot diep olijfbruin, vaak naar het groen-, soms naar het grijsachtig zwemend, met geel- tot zwartbruine vlekken en vegen, die af en toe neiging hebben tot krans- of kapvorming om de stompe pool. De oudervogels lossen elkaar af bij het broeden en beginnen er pas mee als het laatste ei is gelegd. De jongen komen na 22-24 dagen uit en verblijven slechts enkele dagen onder het beschuttende lichaam van de ouders in het nest. Als de jongen het nest verlaten, verstoppen ze zich in de dichte begroeiing in de omgeving. Als zij 5-6 weken oud zijn kunnen ze zelfstandig vliegen, terwijl ze dan nog door beide vogels worden gevoerd.