Oeverzwaluw

(riparia riparia)

 

Dit is de kleinste Europese zwaluw, met bruine bovendelen en witte onderdelen met bruine borstband. Geen wit in de ondiep gevorkte staart. Juvenielen zijn als de adult maar de veren hebben lichte randen waardoor ze minder egaal zijn.

De ondersoort shelleyi (Nijlvallei) is kleiner, grijzer en lichter en met een smalle vage borstband.

De ondersoort diluta (Transkaspië, benedenloop Oeral-rivier) is nog lichter en heeft een nog lichtere borstband.

Zijn geluiden zijn krassender en minder muzikaal dan die van de Boerenzwaluw en Huiszwaluw. Zijn zang is kwetterend, gebaseerd op de raspende tssrrr-roep.

Zijn vlucht is meer fladderend, minder glijdend, dan die van de beide rotszwaluwen.

Open gebieden bij zoetwater, niet in steden of hoge bergen. Van eind april tot augustus in kolonies nestelend, in zelfgegraven nestpijpen tot 100 cm, in zandwanden van oevers en zandgroeven, ook in kunstmatige holtes zoals afvoerpijpen.

In Nederland en België een broedvogel en doortrekker.

 

L 12 / SW 27-29 / BD

Nest

 

De Oeverzwaluw is een van de weinige zangvogels die in holen broeden. Ze nestelen alleen in steile wallen, oeverkanten, zandafgravingen, leemkuilen en soms in as- of zaagmeelhopen. Soms ook in draineerbuizen en muurgaten. Zandafgravingen en leemgroeven van steenfabrieken, maar ook natuurlijke wanden van kloven, ravijnen, holle wegen en afgronden zijn gunstige broedplaatsen. Op dergelijke plaatsen komen meestal kolonies voor.

Het nestgang wordt meestal zelf gegraven. De gang is meestal 60 cm lang, het record ligt bij 195 cm, ongeveer 4-6 cm breed en heeft een elliptische doorsnede, loopt enigszins naar boven op en eindigt in de nestholte. Deze is 8-12 cm hoog en 10-14 cm breed. Hierin bevindt zich het eigenlijke nest, een slordig hoopje strootjes, grashalmen, worteldraden, haren en blaadjes. De nestkom is zacht met veren en haren bekleed. Beide partners bouwen aan de gang en de nestholte, waarbij zich soms ook vreemde vogels aansluiten.

De vrouwtjes beginnen meestal eind mei met eieren leggen. Ze broeden 2 keer per jaar. Het volledige legsel bevat 5-6 eieren, die zoals bij de meeste holenbroeders wit zijn. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden, 12-16 dagen. In de eerste levensdagen bekommert zich maar 1 van de ouders om de jongen. Vanaf de vierde dag voeren meestal beide ouders. De ouders overnachten niet met de jongen in het nest. De jongen zijn alleen en slapen toegedekt met veren van het nestmateriaal. De jongen verlaten snel het nest, maar blijven in de gang en wachten de ouders bij de ingang op als zij met voer aankomen. Na 16-22 dagen verlaten zij de broedgang om er niet meer in terug te keren.

Maak jouw eigen website met JouwWeb