Oeverpieper

(anthus petrosus)

 

De Oeverpieper is duidelijk groter, donkerder en grijzer dan zowel de Gras- als de Boompieper. Hij is daarvan altijd te onderscheiden door de donkere poten en snavel en de grijze (niet witte) buitenste staartpennen, waardoor hij ook te onderscheiden is van de Waterpieper en de Pasifische Waterpieper. In de zomer is hij duidelijk verschillend van de Waterpieper want dan is hij net als in de winter olijfbruin, zwaar gestreept van onder en met een onduidelijke wenkbrauwstreep.

De ondersoort littoralis (Denemarken, Scandinavië, NW-Rusland) is in de winter niet te onderscheiden van de ondersoort petrosus (Groot-Brittannië, Ierland, W-Frankrijk), maar is in de zomer rozig op de keel en heeft een lichter gestreepte borst, de bovendelen zijn lichter en minder olijfbruin.

De ondersoorten meinertzhageni (Hebriden) en kleinschmidti (Faroër, Shetland, Orkney) zijn nauwelijks te onderscheiden.

Zijn zang lijkt op die van de Graspieper, in de zangvlucht die begint en eindigt op de grond of een steen. Zijn roep is een scherp, meestal enkelvoudig pfief, lager dan die van de Graspieper.

Hij broedt langs rotskusten. In de winter langs kusten, minder vaak bij zoetwaterovers.

In Nederland en België een doortrekker en wintergast (de ondersoort littoralis).

 

L 17 / SW 22,5-28 / DW