Vink

(fringilla coelebs)

 

Dit is de talrijkste Europese vink. De witte schoudervlek (opvallend bij het wegvliegen) is het beste onderscheid van het vrouwtje/onvolwassenen met andere bruine vinken en mussen. Het mannetje is onmiskenbaar met een blauwgrijze kop en achterhoofd, een kastanjebruine mantel, rozebruine onderdelen en een groene stuit. De snavel van het mannetje verandert in het voorjaar van lichtbruin naar grijsblauw.

Er zijn verschillende ondersoorten op de Atlantische eilanden en N-Afrika. Mannetjes met een zwart voorhoofd en een variabele mantel en stuit.

De ondersoort canariensis (of tintillon - Tenerife, Gran Canaria, Gomera) heeft een leiblauwe mantel en een heldergroene stuit.

De ondersoort palmae (La Palma) is als de canariensis maar de stuit is blauwgrijs.

De ondersoort ombriosa (Hierro) is als de palmae maar heeft iets groen in de stuit.

De ondersoort maderensis (Madeira) heeft een groenachtige bovenmantel.

De ondersoort moreletti (Azoren) is als de maderensis maar het groen op de mantel is uitgebreider en hij heeft een zwaardere snavel.

De ondersoorten spodiogenys en africana (N-Afrika) hebben een heldergroene mantel en stuit en een blauwachtige zijkop (niet licht okergeelbruin zoals bij de Atlantische ondersoorten). Vrouwtjes en onvolwassenen van deze ondersoort zijn vrij donker.

Zijn zang varieert per regio, maar altijd een ratelende snelle serie tonen, meestal eindigend in tsjoewíet ('vinkenslag'). Zijn roep is pink, pink (erg lijkend op die van de Koolmees), in de vlucht een zacht djuup, bij alarm een indringend huwiet. Ook een Groenlingachtig tswie.

Bossen, open landschappen met bomen, parken, tuinen. In de winter ook op bouwland, vaak samen met andere vinken.

In Nederland en België een zeer talrijke broedvogel, doortrekker en wintergast.

 

L 15 / SW 24,5-28,5 / BJ

Nest

 

De Vink nestelt overal waar bomen groeien en niet alleen in de bossen, maar ook in parken en tuinen, zowel in de lagere gedeelten als in de bergen. Ook bij de boomgrens, waar zich nog hoge bossen kreupelhout bevinden.

Het vrouwtje bouwt het nest vroeg in het voorjaar zodat het eerder klaar is dan er bladeren aan de bomen zijn. Het mannetje helpt alleen bij uitzondering. Het nest kan in d gaffels horizontaal liggen en op schuine takken in de oksels van de takken van de stam, meestal op verschillende hoogtes. De doorsnede van het nest is 8,5-10,5 cm en de hoogte 6,5-8 cm. De nestkom heeft een doorsnede van 5 cm en de diepte is 4-5 cm.

In de periode van midden april tot juli legt het vrouwtje twee broedsels met 5-6 eieren. De kleur van de eieren is erg variabel, zelfs van 1 legsel. Ze zijn van bleekblauwgroen tot roodbruin met donker paarsbruine vlekjes en streepjes Bij de eieren met bruine of roodachtige ondergrond treden vaak zogenaamde 'brandvlekken' op, waarvan de randen wat vervloeien. De blauwachtige schaalkleur vertoont vaak grijsviolette 'ondervlekken'. Het vrouwtje broedt en wordt daarbij af en toe door het mannetje afgelost. Ze zoekt zelf in de omgeving voedsel, hoewel ook het mannetje haar voedsel brengt. De jongen komen na 12-13 dagen uit en blijven nog 13-14 dagen in het nest. Ook bij het voeren van de jongen heeft het vrouwtje het grootste aandeel. De Vink gebruikt hetzelfde nest vaak tweemaal achtereen.

Maak jouw eigen website met JouwWeb