Sneeuwgors

(plectrophenax nivalis)

 

Het mannetje is in de zomer opvallend zwart-wit met een toenemende hoeveelheid bruin bij respectievelijk het mannetje in de winter, het vrouwtje, onvolwassenen en juvenielen. In alle kleden heeft hij lange vleugels met witte vleugelvlekken en onderdelen.

Zijn zang is luid, liefelijk, nogal herhalend, in de vlucht of vanaf een lage zangpost. Zijn roep is een ruisend tirririrrip, meestal in groepen, een zacht twie of twiet, een klagend fluitend tjuu en een tweelettergrepig tjissik.

Kale toendra, afgelegen rotskusten en bergtoppen. In de winter in groepen langs kusten.

In Nederland en België een doortrekker en wintergast.

 

L 16,5 / SW 32-38 / DW