Kuifleeuwerik
(galerida cristata)
De Kuifleeuwerik lijkt op de Veldleeuwerik maar heeft een langere, altijd opvallendee kuif, korte brede vleugels, een korte staart met een kaneelbruine buitenzijde en een (in Europa) oranjebruine ondervleugel.
Er zijn ongeveer 15 ondersoorten in het gebied. In N-Afrika zijn sommige veel lichter, bv. de ondersoort arenicola (Tunesië).
De ondersoort cinnamomina (Libanon) is warm kaneelbruin, andere hebben een dikkere snavel, bv. de ondersoort macrorhyncha (Algerijnse Sahara).
Zijn zang is klagender dan die van de Veldleeuwerik, met kortere en vaak imiterend, vanaf de grond, zangpost of in de lucht. Hij heeft nooit een zwevende baltsvlucht. Zijn roep in de vlucht is wie-wie-oe, stijgend van eerste naar tweede lettergreep, de derde is dalen. Ook een fluitend toe-ie.
Droge, kale, stenige of zandige terreinen, wadi's, halfwoestijnen, duinen, bouwland, fabrieks-, spoorweg- en braakliggende terreinen in steden.
In Nederland en België een broedvogel in afnemende aantallen. Standvogel.
L 17 / SW 39-38 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb