Waterpieper

(anthus spinoletta)

 

De Waterpieper heeft net als de Oeverpieper donkere poten en snavel. De bovendelen zijn bruin tot grijsbruin. Hij heeft een opvallende witte wenkbrauwstreep (ook in de winter) en witte buitenste staartpennen. De adult-zomer heeft een rozebruine vrijwel ongestreepte borst en een grijze kop. De kleur van de onderdelen van de adult-zomer zijn variabel, bv in de Pyreneeën vaak geelachtig en licht gestreept. In de winter zijn de bovendelen bruin (maar minder donker dan bij de Oeverpieper), en de onderdelen vuilwit met opvallende donkere borst- en flankstrepen.

De ondersoort coutellii (Turkije, Kaukasus) is kleiner, lichter, duidelijker gestreept op de bovendelen en geelbruiner op de onderdelen.

Zijn zang is als die van de Oeverpieper, luider en muzikaler dan die van de Graspieper. Zijn roep is een hoog, meestal enkelvoudig pfie(r)st, erg op die van de Oeverpieper lijkend.

Hoog in de bergen, alpenweiden met verspreide bomen of struiken (zit vaak in struiken i.t.t. de Oeverpieper). In de winter in lagere gebieden, vaak in rietvelden en bij ander zoetwateroevers. Het is de enige Europese zangvogel die ten noorden van de broedgebieden overwintert.

In Nederland en België een wintergast, minder talrijk dan de Oeverpieper.

 

L 17 / SW 22,5-28 / W