Veldleeuwerik
(alauda arvensis)
De Veldleeuwerik is een vrij grote bruine leeuwerik met een vaak onduidelijke kuif en een lange staart met witte buitenste staartpennen. Juvenielen hebben geen kuif en een kortere staart.
Hij is makkelijk herkenbaar aan de langdurige hoge zangvlucht, zingend tijdens het stijgen, bidden op grote hoogte (soms vrijwel uit het zicht) en dalen. Hij is alleen stil tijdens de laatste meters naar de grond. Soms zingt hij ook 's nachts. Zijn roep is tsjirrup. Bij verstoring drukt hij zich eerder dan dat hij wegloopt.
Open, vaak boomloos landschap, akkers, weiland, alpenweiden, heides, hoogvenen en duinen.
In Nederland en België een algemene broedvogel, afnemend in aantal, en doortrekker. Meestal het hele jaar te zien, hij trekt weg bij sneeuw en vorst.
L 18-19 / SW 30-36 / BJ
Nest
De Veldleeuwerik broedt bij graanvelden, bij klaver- en lucernevelden, ook op weiden en grasvlaktes, zowel op droge als vochtige bodem. In veel geringer aantal ook op bergweiden en almen vaak ver boven de boomgrens. Het nest bevindt zich altijd op de grond. Kort na aankomst uit het overwinteringsgebied zoekt het mannetje een gunstig territorium op.
Het nest ligt in verhouding in een diep natuurlijk kuiltje, tussen aard- en graskluiten, in oude sporen van vee. Het is ook niet uitgesloten dat hij een vlakke nestkom zelf wat uitkrabt. Het vrouwtje bouwt het nest alleen terwijl het mannetje zijn gebied afbakent met zijn zang. Het nest bestaat uit droge stengels van allerlei grassen, wortels en blaadjes van allerlei planten. De ondergrond van het nest is ongeveer 2 cm dik en de wanden worden aan de rand geleidelijk aan dunner. De nestkom heeft een diameter van 8-9 cm en is 5 cm diep.
Vanaf april (soms zelfs maart) legt het vrouwtje 3-5, zeer zelden 6-7 eieren, waarvan de grondkleur crème tot grijswit is. De olijfbruine 'wolkachtige' vlekken vormen aan het stompe eind soms een krans. Sommige hebben grijsviolette 'ondervlekken'. De vlekken zijn vaak zo dicht dat zij de grondkleur totaal bedekken. Er komen ook legsels voor waarvan de eieren lichtbruin, grijs of roodachtig tot wit zijn. In juni broedt hij voor de 2e keer. De jongen komen na 11-14 dagen uit het ei en worden door beide ouders gevoerd. Ze zitten meestal zo in het nest dat zijn de kopjes allen naar 1 zijde hebben gericht. Na ruim 9 dagen verlaten zij het nest, maar zijn pas na 3 weken volledig zelfstandig en kunnen dan ook vliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb