Grote Gele Kwikstaart
(motacilla cinerea)
De Grote Gele Kwikstaart is de grootste kwikstaart en de langste staart. In vorm en gedrag lijkt hij meer op de Witte dan op de Gele Kwikstaart. De bovendelen zijn blauwgrijs met een geelgroene stuit. De onderdelen zijn geel, het helderst bij het adult-zomer mannetje, met een zwarte keel. In de vlucht heeft hij een opvallende witte vleugelstreep, vooral op de ondervleugel. Juvenielen zijn zeer lichtgeel van onder.
De ondersoort canariensis (de vijf westelijke Canarische Eilanden) is dieper geel van onder, groenachtig op de mantel.
De ondersoorten schmitzi (Madeira) en patricia (Azoren) zijn donkerder met de witte wenkbrauwstreep alleen achter het oog.
Zijn roep is meer staccato, metaliger en hoger dan die van de Witte Kwikstaart, tiet of een tweevoudig tzì-tit. Zijn zang is een schril tsie-tie-tie-tie, gebaseerd op de roep.
Hij broedt langs snel stromende beken, watervalletjes en stuwen. In de winter aan zoetwateroevers, ook in steden.
In Nederland een schaarse, in België een talrijkere broedvogel in het oosten, tevens een doortrekker en wintergast (in klein aantal).
L 18-19 / SW 25-27 / BJ
Nest
De Grote Gele Kwikstaart is veel meer aan het water gebonden dan de Gele Kwikstaart. Ze bewonen tezamen met de Waterspreeuw de oevers van de heldere beken die midden door het bos heenlopen en komen in de bergen tot op 2700 m voor. Ze broeden ook in de lagere gedeelten en hier niet alleen aan beken, kanalen en rivieren, maar ook aan oevers van meren en verlaten plasjes. Ze komen reeds in maart op de broedplaatsen aan. Het nest bevindt zich vrijwel altijd direct aan het water, in holten aan steile oeverkanten, tussen de wortels van bomen aan de oever, in oude muren van bruggen, in holten van slootjes bij molens, in sluisgaten, in molens en bij dammen van stuwmeren en kanalen. Slechts zelden in jonge takken van lage boompjes.
Het nest is een omvangrijk bouwsel dat op een hoop droge plantenresten lijkt. Het voornaamste bouwmateriaal zijn droge plantenstengels, bladnerven, takjes, grassen en mos, al naargelang de plaatselijke toestand. De nestkom is verhoudingsgewijs met weinig haren, fijne draadjes en veertjes bekleed.
Ze broeden meestal 2 keer per jaar, vaak zelfs 3 keer. De broedtijd loopt meestal in juli af. Het vrouwtje legt 4-6, meestal 5 eieren. Deze eieren zijn gelijk aan die van de andere kwikstaartsoorten, ze zijn alleen iets geler en de vlekken gaan meer naar het roodbruin. Het vrouwtje begint te broeden als het laatste ei is gelegd en wordt zo nu en dan door het mannetje afgelost. Die heeft vaak het grootste aandeel in het broeden. Na 12-14 dagen komen de jongen uit en blijven nog 12-13 dagen in het nest. De familie blijft nog lang bij elkaar.
Maak jouw eigen website met JouwWeb