Kerkuil
(tyto alba)
De Kerkuil is de enige uil met goudgeelbruine bovendelen en (meestal) witte onderdelen. Hij vliegt vaak in de schermering rond als een spookachtige verschijning. Als hij wordt gevangen in het licht van koplampen dan lijkt hij geheel wit. Hij heeft een hartvormig masker.
De ondersoort guttata (C-, O- en delen van NW-Europa) is diep geelbruin op de onderdelen en opvallend grijsblauw getekend op de bovendelen. Hij verschilt in de vlucht van de Bosuil door de langere smallere vleugels, in zit door de langere poten.
De ondersoort alba (Britse eilanden tot NW-Afrika) is wit van onder en donkerder van boven. Op Madeira en de Canarische Eilanden kleiner en lichter. In het Midden-Oosten goudkleuriger.
Individuen met een geelbruine borst kunnen voorkomen in populaties met voornamelijk vogels met een witte borst.
Zijn roep is een aanhoudend, benauwd, bloedstollend gekrijs. Ook heeft hij sissende, snurkende en blaffende geluiden.
Nabij bouwland en ander open, vaak droge gebieden met verspreide bomen, voornamelijk jagend op kleine knaagdieren. Vaak nestelt hij in schuren, kerken en andere oude gebouwen.
Hij komt bijna overal voor. In Nederland en België een vrij schaarse broedvogel.
L 33-35 / SW 85-93 / BJ
Nest
De Kerkuil nestelt vooral bij boerderijen, dorpen en steden in ruïnes, burchten en kastelen, in kerktorens, holle bomen, schuren, oude gebouwen en duiventillen. In grote steden alleen als er in de omgeving mogelijkheden zijn om te jagen. Hij is een van de weinige vogelsoorten waarvan het nest vrijwel het gehele jaar gevonden kan worden. In de regel leggen ze in april-mei hun eieren, maar meermalen zijn er zelfs in november nog verse legsels gevonden. Als de omstandigheden goed zijn (goede muizenjaren) kunnen zij van februari tot in november broeden. Normaliter broeden ze jaarlijks slechts eenmaal, bij gunstige voedselvoorwaarden kan dat twee- of zelfs driemaal per jaar worden. Het kan ook zijn dat het broeden een bepaald jaar wordt overgeslagen wanneer er niet voldoende knaagdieren zijn.
De Kerkuil bouwt geen nest tenzij braakballen als nestmateriaal beschouwd worden.
Het legsel bevat meestal 4-6 eieren, zeer zelden worden in 1 nest tot 13 eieren geteld. De eieren zijn elliptisch, kalkwit, fijnkorrelig en zonder glans. Alleen het vrouwtje broedt en het mannetje verzorgt haar met voedsel. De broedtijd duurt 30-40 dagen. Omdat het vrouwtje de eieren legt in een tijdsduur van 1 tot 2 dage, bestaat er tussen de jongen een duidelijk grootteverschil. In de eerste 10-11 dagen hebben de jongen dichte oogleden. Ze worden door beide oudervogels gevoerd en blijven 7-9 weken in het nest. Als ze ongeveer 86 dagen oud zijn beginnen ze met vliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb