Matkop
(parus montanus)
Samen met de Glanskop is het de enige kleine mees met een zwarte kruin, achterhoofd en kin. Hij lijkt een grotere kop te hebben dan de Glanskop, en heeft een grotere kinvlek. De kruin is roetzwarter dan die van de adult Glanskop. Hij heeft een witte vleugelvlek.
In Lapland is de Matkop altijd lichter en grijzer dan de Bruinkopmees, zonder roestbruine flanken.
De ondersoort rhenanus in W-Europa.
De ondersoort borealis (N-Europa) is iets groter en grijzer en heeft witte wangen.
De ondersoort loennbergi (N-Scandinavië) is soms nog lichter.
De ondersoort kleinschmidti (Engeland) is donkerder en heeft oranjebruine flanken.
De ondersoort montanus (Alpen, Karpaten, Balkan) is groter, heeft meer bruinroze op de flanken en heeft vooral een afwijkende zang.
Zijn zang is langzamer dan die van de Glanskop, pjuu-pjuu-pjuu-pjuu-pjuu, meestal iets in toon dalend, minder tonen in een serie, langzamer en melancholischer dan die van de Glanskop. Bij de ondersoort montanus klinkt het duidelijk anders, wel langzaam maar op een gelijke toonhoogte blijvend, tuu-tuu-tuu-tuu-tuu, eveneens melancholisch klinkend. Zijn kenmerkende roep is een langzaam tjietjie-dè-dè-dè.
Naald- en loofbossen, bergbossen, langs zoetwater, meestal op vochtiger plaatsen dan de Glanskop.
In Nederland en België een standvogel, talrijker dan de Glanskop.
L 11,5 / SW 17-20,5 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb