IJsvogel

(alcedo atthis)

 

De IJsvogel is de kleinste en wijdst verspreide ijsvogel. Hij heeft metaalglanzende blauwgroene bovendelen en warm oranjebruine onderdelen. De snavel is zwart, het vrouwtje met een roodachtige ondersnavel. De poten zijn rood. De korte staart geeft een opvallend vliegsilhouet en een gedrongen zithouding.

De ondersoort atthis (Middellandse-Zeegebied, O-Europa) heeft een wittere kin dan de ondersoort ispida (N-Europa), meer contrasterend met de oranjebruine borst.

Vanaf een zitpost of biddend speurt en duikt hij naar vis.

Hij wordt vaak opgemerkt door de hoge. luide, schelle roep, tsieie of tsiekie, vaak in een snelle vlucht ('als een blauwe schicht') over het water of daaraan grenzend terrein.

Zijn zang is een fluitende triller.

In laagland aan zoetwater. In de winter ook bij estuaria en langs de kust.

Hij nestelt in holen in de wand van rivierbeddingen of zandgroeven, de ingang valt vaak op door de witte uitwerpselsporen.

In Nederland en België een vrij schaarse broedvogel (grotendeels standvogel) en wintergast.

 

L 16-17 / SW 24-26 / BJ

Nest

 

De IJsvogel maakt zijn nest in zandige en lemen steile oeverkanten, waarin ze de nestholen zelf graven. Ze mijden waterlopen waarvan de oevers dichtbegroeid zijn met bomen of struiken. De broedtijd is van april tot in augustus, gewoonlijk tweemaal, soms driemaal per jaar.

De nestelgang moet horizontaal liggen of een beetje naar boven gericht. De nestbouw duurt van enkele dagen tot soms wekenlang. Ze graven het gat met de snavel en schrapen de aarde met de korte pootjes naar buiten. Zo'n nest kan 20-100 cm diep zijn. Het vlieggat heeft een doorsnede van 4-6 cm. Aan het einde van de gang ligt de nestholte. Deze is 12-23 cm lang, 11-20 cm breed en 9-14 cm hoog. De nestholtes worden soms meermalen gebruikt.

Het vrouwtje legt 5-7 haast ronde, zuiver witte eieren op de kale bodem of temidden van voederresten (zoals visgraten) die van vorige legsels zijn blijven liggen. Vanuit de nestopening verspreidt zich vaak een vreselijke stank. Beide vogels broeden 18-21 dagen en voeren de jongen met visjes. Aangezien de jongen niet allemaal even groot zijn, gaat men er van uit dat de oudervogels direct na het leggen van het eerste ei met broeden beginnen. Na 23-27 dagen vliegen de jongen uit de nestholte. Het kan zijn dat het vrouwtje ondertussen al op het broedsel van het tweede of derde legsel zit te broeden.