Kneu
(acanthis cannabina)
Dit is de talrijkste acanthis in Europa, met witte handpenranden en een donkerbruine snavel. Het mannetje heeft in de zomer een grijze kop met een rood voorhoofd en een rode borst. Hij is dieper kastanjebruin van boven dan de Frater en de Barmsijs. De rode delen zijn in de winter onopvallend (bedekt door bruine veerranden). Het vrouwtje en juvenielen hebben geen roze of rood en zijn minder kastanjebruin van boven.
De ondersoort cannabina komt voor in Europa.
De ondersoort bella (Klein-Azië, Levant tot N-Iran) is lichter, vooral op de kop, en heeft een vrijwel witte stuit.
De ondersoorten harterti (O-Canarische Eilanden), meadewaldoi (W-Canarische Eilanden) en nana (Madeira) zijn kleiner en feller gekleurd.
Zijn zang is een melodieus mengsel van allerlei kwetterende tonen. Zijn vluchtroep is een nasaal Groenlingachtig nut, nut, maar hoger en minder melodieus.
Gebieden met lage bomen, struiken, maquis, bosranden, heggen, boomgaarden, tuinen. Hij nestelt soms in kolonies. In de winter in open landschappen als kwelders, bouwland, duinen.
In Nederland en België een talrijke broedvogel en algemene doortrekker en wintergast.
L 13,5 / SW 21-25,5 / BJ
Nest
De Kneu nestelt in parken, aan bosranden, maar vooral op onvruchtbare bodem met dicht struikgewas en lage boomgroei, bij bouwlanden, op zonnige met struiken begroeide hellingen, duinen, op begraafplaatsen en daar waar veel heggen zijn. Ook in moerasgebieden met veel laaggeboomte en kreupelhout. Hij broedt meestal niet hoger dan 2 m boven de grond en heeft duidelijk meer voorkeur voor struiken en lage bosjes dan voor hogere boomkronen. Het nest is altijd goed verstopt.
Het nest is geen bijzonder mooi maar wel een vast bouwsel. De buitenkant bestaat uit takjes, wortels, grashalmen en bastvezels. De glad gevormde nestkom is met haren, wol, veertjes en vaak ook met stukjes papier en stof bekleed. Alhoewel het nest alleen door het wijfje gebouwd wordt, is het al na 4 dagen klaar.
Hij broedt meestal tweemaal per jaar. In de periode van midden april tot juli, soms nog in augustus, worden de eieren gelegd. Het legsel bevat 4-6, hoogstens 8 eieren. Deze zijn witachtig tot lichtblauw met roodbruine tot zwartbruine vlekjes en soms enkele streepjes. Deze staan in hoofdzaak aan het dikke einde en hebben neiging tot kransvorming. Ongevlekte eieren komen ook voor. De broedtijd duurt 12-13 dagen en het broeden wordt hoofdzakelijk door het vrouwtje gedaan. Ze wordt alleen in de namiddag voor korte tijd door het mannetje afgelost. De jongen worden door beide ouders gevoerd en blijven 12-14 dagen in het nest.
Maak jouw eigen website met JouwWeb