Bosuil
(strix aluco)
Dit is de algemeenste middelgrote uil. Hij is vooral 's nachts en in de schemering actief. Overdag roest hij in een boom, dan vaak opgemerkt wanneer hij luidruchtig wordt aangevallen door kleine vogels. Hij verschilt van de Ransuil door de donkere ogen en het ontbreken van oorpluimen. Hij is dikker en heeft een grotere kop dan de Ransuil en Kerkuil en heeft korte vleugels dan de Ransuil. Zijn kleur is variabel, warm kastanjebruin, geelbruin, brijn, grijsbruin of grijswit. Juvenielen zijn gebandeerd.
De ondersoort aluco (C-Europa) is groter en grijzer.
De ondersoort siberiae (Oeral) is lichter grijs.
De ondersoort sylvatica (Groot-Brittannië, Frankrijk, Middellandse-Zeeggebied tot Levant) is kleiner en roodbruiner, met een grijze variant.
De ondersoort mauritanica (NW-Afrika) is groter en donkerder, met afwijkende geluiden. Ook is er een lichtere vorm in Irak.
Zijn zang begint met een langgerekt oeoeh, na enkele seconden gevolgd door een snel, bevend hoe-hoe-oe-oe-oe-oe-oe. Zijn roep is een schel ke-wik.
Voornamelijk loofbossen, ook gebieden met verspreide bomen, bouwland, parken en grote tuinen, ook in dorpen en steden. Hij nestelt meestal in een boomhol. Hij jaagt vooral op knaagdieren en kleine vogels.
Kom niet te dicht bij buiten het nesthol zittende juvenielen. Het vrouwtje kan fel aanvallen. Juvenielen hebben in deze tijd een sissende bedelroep, als een piepend scharnier.
In Nederland en België een talrijke broedvogel. Standvogel.
L 37-39 / SW 94-104 / BJ
Nest
De Bosuil is een holenbroeder. Zijn voorkeur gaat duidelijk uit naar loof- en gemengd bos zolang zich daarin oude bomen met holten of tenminste halfholen bevinden. Hij bewoont echter ook oude boomgaarden, buitenplaatsen, oude lanen, parken en grote tuinen. Vindt hij geen natuurlijke nestplaats, dan zoekt hij muurgaten, oude schuren, oude gebouwen, verlaten nesten van Blauwe Reigers of kraaiachtigen op of broedt (minder vaak) op de grond, onder een struik, of aan de voet van een boom, in rotsspleten en in konijnenholen. Ook wel in de nabijheid van menselijke woningen.
De Bosuil bouwt niet zijn eigen nest. Het instinct voor het verzamelen van bouwmateriaal voor het nest ontbreekt. Over het algemeen begint hij met broeden ongeveer midden maart.
Ze broeden meestal maar eenmaal per jaar. Ze leggen 2-4, zelden tot 7, eieren. Deze zijn elliptisch, tamelijk rond met gelijk afgeronde polen, wit en glad, met een zwakke glans, vaak geïmpregneerd door zuren van het vermolmde hout in de nestholte. Het vrouwtje begint direct na het leggen van het 1e ei met broeden. De andere eieren worden met tussenpozen van 2-3 dagen gelegd. De jongen komen na 28-29 dagen uit, in de volgorde waarin de eieren zijn gelegd. Het mannetje broedt niet maar verzorgt het broedende vrouwtje en draagt voedsel aan tot ongeveer 10 dagen nadat de jongen zijn uitgekomen en het vrouwtje nog op de jongen zit. Afhankelijk van het weer en de jachtmogelijkheden verzorgen de ouders de jongen 4-5 weken in de nestholte en trekken, na het uitvliegen, nog enige weken met ze rond. Zolang blijft de familie bij elkaar.
Maak jouw eigen website met JouwWeb