Dodaars

(tachybaptus ruficollis)

 

De Dodaars is de kleinste fuut. De adult-zomer is donker met kastanjebruine wangen en keel en witgele mondhoeken.

In de winter is hij meer onopvallend bruin, met een witte keel. Juvenielen in de herfst vaak nog met enig wit op de wangen.

In de vlucht geen opvallend wit op de bovenvleugel.

Zijn zang is een hinnikende triller, de alarmroep een fluitend wiet-wiet.

In Nederland en België een broedvogel van zoetwatermoerassen, vennen en vegetatierijke sloten en meren. In het najaar en de winter op allerlei brakke of zoete wateren, ook in stadsgrachten.

 

L 25-29 / SW 40-45 / BJ

Nest

 

De plaats waar ze broeden verraden ze meestal door het geluid, een triller, dat zij zo nu en dan laten horen.

Het type nest verschilt niet van dat van de andere duikers. Zoals de Fuut bouwt hij zijn nest op waterplanten die voor een groot deel al verrot zijn. De Dodaars gebruikt wat fijner nestmateriaal en ook het nest is overeenkomstig kleiner, ongeveer zo groot als een bord. De bouwwijze en grootte komen ongeveer overeen met die van de Geoorde Fuut. In tegenstelling tot deze broedt de Dodaars niet in kolonies maar solitair. Het nest komt met de onderkant of tot de bodem of het drijft op het water, waarbij het aan stengels van waterplanten is bevestigd. Dat hangt van de diepte van het water af.

De 4 tot 7 eieren zijn zoals bij de andere duikers, ze zijn alleen een stuk kleiner.

Nadat het eerste ei is gelegd wordt er met het broeden begonnen. De oudervogels wisselen elkaar af bij het broeden gedurende ongeveer drie weken. Wanneer zij het nest verlaten bedekken zij de eieren. 

De oudervogels dragen de uitgekomen jongen bij het zwemmen en duiken vaak op de rug mee.

Maak jouw eigen website met JouwWeb