Goudhaan
(regulus regulus)
De Goudhaan verschilt van de boszangers door de fijne snavel, de zwarte vleugelvlek onder de onderste vleugelstreep en de zwartomgrensde kruin, oranje (vaak alleen goed zichtbaar als de veren zijn opgezet) en geel bij het mannetje, alleen geel bij het vrouwtje.
Er zijn drie ondersoorten op de Azoren:
De ondersoort inermis (de vijf westelijke eilanden) is donkerder van boven en onder.
De ondersoort azoricus (São Miguel) is donkerder van boven, geler van onder.
De ondersoort sanctea-mariae (Santa Maria) is lichter van boven, witachtig van onder.
Zijn zang is een zeer hoog op en neer gaand riedeltje, aan het eind aflopend, tiesseriejuu-tiesseriejuu-tiesseriejuu-tiesseriejuu-sietuiet. Zijn roep is een hoog ijl sie-sie-sie, te verwarren met de Taigaboomkruiper en mezen, behalve wanneer het verlengd is tot een langere serie.
Naaldbossen, parken en tuinen. In de winter ook in struiken en loofbos.
In Nederland en België een talrijke broedvogel, doortrekker en wintergast.
L 9 / SW 13,5-15,5 / BJ
Nest
De Goudhaan nestelt vooral in sparren- en dennenbossen, ook in bossen van gemengd hout, zolang er tenminste enkele groepen naaldbomen in voorkomen. Het nest wordt meestal onder horizontale takken van sparren, dennen of andere naaldbomen gebouwd. Zelden maakt hij zijn nest erg laag, bijvoorbeeld in jeneverbesstruiken.
Het nest is in verhouding tot de grootte van de vogels een machtig bouwsel, bijna kogelrond, van boven open. Het heeft een dikke wand en wordt van boven wat nauwer tot een in verhouding kleine opening. Deze kleine opening verhindert ongetwijfeld bij sterke wind dat de eieren uit het nest rollen. Voor de bouw gebruikt hij vooral groene mossen, insectenspinsel, korstmossen, bastvezels, dennennaalden, haren en cocons van insecten. Binnenin wordt het met wol en veertjes gevoerd. De diameter bedraagt 9-11 cm, de binnenzijde 6 cm. Het nest is 8-12 cm hoog maar toch erg moeilijk tussen de takken te vinden omdat het zo mooi verstopt is. De gehele bouw duurt 12 dagen of langer.
Het eerste broedsel verschijnt eind april, meestal echter begin mei. Het tweede broedsel volgt in juni. Het legsel bevat 8-10 eieren die grijsachtig wit, geelachtig wit of bleeklichtgeel zijn met meer of minder dicht getekende uiterst fijne, scherp begrensde grijsgele, geelbruine of grijsroodachtige vlekjes en puntjes, die aan het stompe einde vaak een krans of kap vormen. Soms zijn aan dit stompe einde asgrauwe 'ondervlekken'. Het vrouwtje broedt alleen 12-17 dagen. Het mannetje neemt dan pas weer deel aan het voeren van de jongen, die 15-16 dagen of soms 21 dagen in het nest blijven. De jongen houden zich na het uitvliegen nog 18-37 dagen in de omgeving van het nest op.
Maak jouw eigen website met JouwWeb