Groenling

(carduelis chloris)

 

Dit is de grootste geelgroene vink, met opvallende heldergele vleugelvlekken, een geelgroene stuit, een gele vlek op de zijstaartbases en een dikke lichte vleeskleurige snavel. Het vrouwtje is valer en bruiner. Juvenielen zijn bruiner en donker gestreept.

Groenlingen vertonen grote variatie in kleurintensiteit. 

De ondersoort aurantiiventris (Middellandse Zeegebied) is groter en helderder.

De ondersoort chlorotica (Levant) is lichter en geler.

De ondersoort turkestanicus (Krim, Kaukasus) is veel grijzer.

Zijn zang is een mengsel van kwetterende tonen en een kenmerkend dzwèèh. Zijn roep in de vlucht is een snel herhaald tji of tju, zachter en minder metalig dan die van de Kneu, en een kanarieachtig tsoe-iet.

Bosranden, tuinen, parken, boomgaarden, ook in steden en dorpen, bij rozebottels. In de winter ook op akkers en langs de kust, vaak samen met andere zaadeters.

In Nederland en België een talrijke broedvogel, doortrekker en wintergast. 

 

L 14,5 / SW 24,5-27,5 / BJ

Nest

 

De Groenling nestelt zowel in loof- en gemengd bos als aan de randen van naaldhout. Ook vaak in parken, boomgaarden en oude tuinen. Hij komt in het voorjaar vroeg op de broedplaats aan en begint al snel met nestelen, zodat 3 broedsels per jaar geen uitzondering zijn. Eind maart-begin april zijn de eerste nesten al te vinden. Omdat de bomen in deze tijd nog niet veel bladeren hebben worden de eerste nesten vooral in naaldbomen gebouwd op een hoogte van 2-6 m. Later bouwen ze ook nesten in de dichte kronen van struiken en bomen, soms ook in de oksels van uitgelsagen takken.

Het nest wordt voor het grootste deel door het vrouwtje gebouwd. De grondbouw bestaat uit takjes, droge grassen en wortels. De nestkom bekleedt hij met paardenharen, veertjes, haren of fijne plantenwortels. Voor elk broedsel bouwen ze meestal weer een nieuw nest. 

Het eerste en het tweede legsel bevat 5-6, het derde legsel 2-4 eieren. Deze zijn van vuilwit tot heel lichtblauw, meestal spaarzaam getekend met roestbruine en bruinrode vlekjes, die in hoofdzaak aan het stompe einde vaak tot kransvorming overgaan. Dieper gelegen 'ondervlekken' schijnen grijs-violetachtig door. Het vrouwtje broedt alleen 12-14 dagen en wordt de hele tijd, en ook nog korte tijd nadat de eieren zijn uitgekomen, door het mannetje gevoerd. De jongen verlaten na 12-17 dagen het nest hoewel zij dan nog niet kunnen vliegen. Hun klinkende geluiden worden dan voor het eerst in de omgeving van het nest gehoord. Later verspreiden ze zich in de omgeving.

Maak jouw eigen website met JouwWeb