Putter
(carduelis carduelis)
Dit is een zeer opvallende vink, onmiskenbaar door de zwart-witte kop met rood gezicht, grotendeels zwarte vleugels met een gele streep en een witte stuit. Juvenielen lijken op de grotere juveniele Groenling maar hebben geen geel in de staart. het geslacht is soms in het veld te bepalen, vooral als een paar samen gezien wordt: de mannetjes zijn helderder gekleurd en het rood loopt tot achter het oog.
Hybriden tussen de Putter en de Kanarie worden veelvuldig gekweekt door Europese volièrehouders. Vrouwtjes worden losgelaten omdat ze niet zingen. Deze lijken op vale Putters en verschijnen in de winter soms op voedertafels waar 'echte' Putters zich zelden laten zien.
Putters worden naar het noordoosten groter en lichter, naar het zuiden kleiner en grijzer.
De ondersoort carduelis (C-Europa, Scandinavië) is groter en wordt lichter in Rusland.
De ondersoort frigoris (ook major - oostelijk van de Oeral, in de winter ook in Rusland) is groot en zeer licht.
De ondersoort parva (W-Middellandse Zeegebied, Canarische Eilanden, Madeira, Azoren) is vooral kleiner.
Er zijn meerdere ondersoorten in het Midden-Oosten en de Kaukasus, sommige lichter, andere valer.
De ondersoort britannica (Britse eilanden, W- en NW-Frankrijk, kuststreek van Nederland en België) is iets kleiner en bruiner (het verschil is gering).
Zijn zang is een serie vloeiende en tingelende roeptonen, stiegliet-tiegeliet. Ook een krassen giezz.
Open landschappen, boomgaarden. In het najaar en de winter op distels en andere grote planten.
In Nederland en België een talrijke broedvogel, doortrekker en wintergast.
L 12 / SW 21-25,5 / BJ
Nest
De Putter nestelt in open landschappen, vooral dorps- en stadsranden met talrijke tuinen, oude lanen, verwaarloosde boomgaarden, buitenplaatsen en losse boomgroepen. Ook in open loof- en gemengde bossen, in veld- en weidebosjes, altijd dicht in de buurt van mensen. Hij bouwt zijn goed verzorgd nest meestal in bomen, vooral in vruchtbomen en slechts weinig in hoge struiken.
Het nest ligt 2-10 m hoog in de vork van de takken. De onderbouw van het nest, dat dikke wanden heeft, is met vezels aan de takken bevestigd. Het nest wordt van worteldraden, plantenstengels en dunne twijgjes gebouwd. De wanden zijn met mos en vezels bekleed. De nestkom is met zachte wortels, verschillende vezels, insectenspinsel, plantenwol en haren bekleed. De totale doorsnede bedraagt 7-8 cm, de hoogte 5-6 cm, de doorsnede van de nestkom is 5 cm en de diepte 3 cm. Het nest wordt door het vrouwtje gebouwd.
De eerste legsels worden in april gelegd. Deze bevatten 4-6 eieren. De eieren zijn blauwachtig wit tot flets lichtblauw, meestal spaarzaam gevlekt met rood- tot zwartbruine stipje en haaltjes, meestal aan het stompe einde. Enkele 'ondervlekken' schijnen grijsviolet door. Hij broedt meestal tweemaal per jaar. Het vrouwtje broedt alleen, 12-13 dagen. Nadat de jongen zijn uitgekomen bedekt zij deze nog enkele dagen. De jongen blijven 14 dagen in het nest en worden door beide ouders in het begin met insecten, later met uit de krop geweekte zaden gevoerd.
Maak jouw eigen website met JouwWeb