Goudvink

(pyrrhula pyrrhula)

 

Het mannetje is onmiskenbaar door de zwarte kruin en kin, de grijze mantel en de rode onderdelen. Het vrouwtje is rozebruin met een zwarte kruin. Juvenielen zijn bruin zonder zwarte kruin. De witte stuit (opvallender dan bij de Keep en de Putter) en de brede witte vleugelstreep zijn opvallend in de vlucht.

Goudvinken worden kleiner van noord naar zuid.

De Noordse Goudvink (p.p. pyrrhula - Scandinavië, N-Rusland, in wisselende aantallen in najaar/winter in W-Europa) is groot en helderdere roze.

De ondersoort rossikowi (Kaukasus, NO-Turkije) is ook groot en heeft een grotere snavel en het rood is helderder, donkerder.

De ondersoorten europoea (C-Europa) en pileata (Britse Eilanden) zijn kleiner en valer.

De ondersoort iberiae (Pyreneeën, N-Iberisch Schiereiland) is kleiner en dieper rood.

Hij is meestal vrij schuw, maar verraadt zijn aanwezigheid door zijn roep, een klagend, fluitend djuu, die ook de basis vormt voor zijn zwakke knarsende en fluitende zang.

Naaldbossen (N-Europa). In W-Europa vooral (randen van) loofbossen, grote tuinen en boomgaarden.

In Nederland en België een talrijke broedvogel (standvogel). 

 

L 14,5-16 / SW 22-29 / BJ

Nest

 

De Goudvink is voornamelijk een bosvogel. Hij is vooral aan naaldbomen gebonden en houdt zich ook graag op waar jong hout bij hoogopgaand, oud bos voorkomt. Hij heeft ook liever randen van open plekken in het bos, kaalslag, wegen en boswegen. Hij nestelt ook in oude, dichtbegroeide tuinen en parken.

Hij bouwt zijn nest meestal in naaldbomen, meestal dichtbij of direct bij de stam op een hoogte tot 2 m boven de grond. Hij mijdt echter ook loofhout en struikgewas niet. Het onderste deel van het nest is van droge takjes en wortels gemaakt, het bovenste deel uit fijne worteltjes, mos, blaadjes en vezels. De nestkom is met vruchtpluis en dierwol gevoerd.

In vergelijking met andere vinkensoorten nestelt de Goudvink in verhouding laat, een- tot tweemaal per jaar in de periode van mei tot juni. De eieren zijn groenachtig blauw met paarsbruine stipjes en streepjes, waartussen zo nu en dan een enkele zwarte vlek of een paar grijsviolette 'ondervlekken' voorkomen. Het legsel bevat 4-5, vaak ook 6 eieren. Het vrouwtje gaat tegelijkertijd met het leggen van het laatste ei broeden. De broedtijd duurt 13-14 dagen en in veel gevallen neemt ook het mannetje zo nu en dan aan het broeden deel. Het vrouwtje wordt af en toe door het mannetje uit de krop gevoerd. De jongen blijven 16-18 dagen in het nest, voordat zij uitvliegen.

Maak jouw eigen website met JouwWeb