Goudplevier
(pluvialis apricaria)
De Goudplevier is iets kleiner dan de Zilverplevier. Hij heeft geelbruin-zwart gespikkelde bovendelen en witte okselveren.
De adult-zomer van de noordelijke populaties hebben een brede zuiverwitte band langs de borst en flank, contrasterend met het zwarte gezicht en onderdelen. In de zuidelijke populaties is de flankstreep geelachtig wit, de wangen niet puur zwart en de andere zwarte delen minder scherp afgescheiden en opvallend.
Zijn roep is een fluitend tweetonig tluu-ie, of pjuu, in broedgebied een klagend pu-wie-uu (de middelste toon hoger, overgaand in de lagere derde), in zang herhaald met een krassend slot.
Buiten de broedtijd in grote groepen zowel in de snelle vlucht als foeragerend, vaak samen met de Kievit.
Hoogvenen, moerassige toendra, arctische heidevelden. In de winter op akkers en weilanden, estuaria, modderige kusten.
In Nederland en België onregelmatige broedvogel. Het gehele jaar aanwezig, het minst in juni, het meest in november.
L 26-29 / SW 67-76 / bJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb