Boerenzwaluw

(hirundo rustica)

 

Dit is de talrijkste zwaluw, blauwzwart van boven, met een opvallende roodbruine keel en voorhoofd en donkere bovenborstband, contrasterend met de witte tot roomkleurige onderdelen. Hij heeft witte staartvlekken, de adult met zeer lange buitenste staartpennen. Juvenielen hebben bredere en veel kortere buitenste staartpennen en zijn vaak lichter op de kop.

De ondersoort transitiva (Levant) is iets roodbruiner op de onderdelen.

De ondersoort savignii (Egypte) is nog roodbruiner, als de keel, waardoor hij vrij donker lijkt.

Beide ondersoorten zijn iets groter.

Zeldzame hybriden tussen de Boerenzwaluw en de Huiszwaluw hebben een onderbroken borstband, een donker voorhoofd, een lichte stuit, witte onderstaartdekveren en een kortere staart zonder vlekken.

Zijn roep is een kwetterend tswit, tswit. Bij alarm een schril tsink, tsink. Hij heeft een kwetterende zang, gebaseerd op fiet-e-fiet, fiet-e-fietit.

Hij heeft een open schaalvormig nest van gedroogde modder en gras, rustend op een richel in een gebouw of grot.

In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker.

 

L 17-19 / SW 32-34 / BD

Nest

 

De Boerenzwaluw is een van de vogelsoorten die vrijwel uitsluitend broedt in bouwwerken van mensen. Meestal in gebouwen zoals schuren, stallen, bergplaatsen, scholen, fabrieken, woon- en wachthuizen, ook wel onder afdaken, luifels, vlonders, bruggen, gewelfde bogen en bij uitzondering tegen een wand, muur of schot als het door een uitsteeksel kan worden ondersteund. Bij hoge uitzondering ook op een dikke boomtak. Grote steden worden gemeden.

Het napvormige nest is van boven open en heeft de vorm van een kwart kogel. De nestbouw begint meestal midden mei. Beide partners bouwen het nest uit kleine hoeveelheden vochtige aarde, leem, klei of zanderig leem, die zij met korte halmpjes en haren vermengen. De stevigheid van het nest wordt verhoogd door toevoeging van speeksel, dat daarna door opdroging hard wordt. Het nest heeft een diameter van 7-10 cm en is met veertjes, haren en halmen bekleed. De nestwanden zijn 1-2 cm dik. De bouwduur is gemiddeld 8 dagen.

Meestal is midden mei het eerste broedsel gelegd en het broeden kan tot in augustus voortduren, ze broeden dan ook twee- en vaak zelfs driemaal per jaar. Meestal leggen ze 4-6 eieren, die een witte ondergrond hebben met fijne en grovere rood- tot zwartbruine, zelden helderrode of purperrode vlekjes, die de neiging hebben tot kransvorming om de stompe pool, en enkele grijsviolette 'ondervlekken'. Het vrouwtje broedt 16 dagen lang. De jongen worden door beide oudervogels 20-24 dagen gevoerd. De uitwerpselen zijn vaak van zo'n onvoldoende vaste vorm dat zij niet door de ouders weggebracht kunnen worden en het zich dus ophoopt op de rand van het nest. Ook na het verlaten van het nest voeren de ouders nog de jongen, zowel zittend als vliegend en soms nog op de trek. In het begin keren de jongen nog naar het nest terug om te slapen.