Tjiftjaf

(phylloscopus collybita)

 

De Tjiftjaf is een algemeen voorkomende boszanger. Hij heeft olijfgroene bovendelen, vuilwitte onderdelen met een spaarzame gele streping en geelbruine flanken, en donkere poten. Hij is minder groen en geel dan de Fitis, en daarvan het best te onderscheiden door het geluid.

De ondersoort abietinus (N- en O-Europa tot de Oeral) heeft grijzere bovendelen en wittere onderdelen. De populaties worden naar het oosten toe grijzer en minder groen.

De ondersoorten fulvescens en tristis (ten oosten van de Oeral) zijn bruin van boven met alleen olijftinten op de stuit en de bovenstaartdekveren, bruinwit van onder, soms lichtgeel onder de vleugelbocht, soms met een vrij opvallende lichte smalle vleugelstreep en met een afwijkende roep, swie-úu, en zang. De meest oostelijke vogels zijn geheel zonder enig groen of geel. Dwaalgast in W-Europa.

De ondersoort brehmii (ZW-Frankrijk, Iberisch Schiereiland; dwaalgast in Nederland) is groener van boven, geler op de onderstaartdekveren.

De ondersoorten canariensis en exsul (Canarische Eilanden) zijn kleiner en donkerder van boven (de ondersoort exsul iets lichter) en taanbruin van onder.

De ondersoorten brehmii, canariensis en exsul hebben tevens een afwijkende zang.

Zijn zang is een karakteristiek monotoon herhaald tsip-tsap, de strofes vaak kort afgewisseld door een zacht trr-trr. Zijn roep is een éénlettergrepig hwiet.

Bossen, parken en tuinen met hoge bomen en struiken.

In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker, en wintergast in klein aantal.

 

L 11 / SW 15-21 / BJ

Nest

 

De Kleine Karekiet broedt op de grond, daarom zoekt hij plaatsen met onderbegroeiing uit, waar hij zijn nestje voldoende kan verstoppen. In bossen met hoge bomen vindt men ze altijd op wat open plekken, in jong hout of jonge bomen die in groepen staan. Ook vind je ze op buitenplaatsen, begraafplaatsen, grote parken en oude, verwaarloosde tuinen. Het mannetje keert het eerst terug uit het overwinteringsgebied en zoekt het territorium uit. Het vrouwtje komt wat later aan, bepaalt waar het nest wordt gebouwd.

Het vrouwtje begint met bouwen, ze wordt daarbij alleen maar door het mannetje begeleid. Het nest is kogelvormig, van boven afgesloten, en ligt in een wirwar van allerlei planten, zoals bijvoorbeeld onder de bomen groeiende bundeltjes gras, heide en bosbessen, op de bodem of een beetje daarboven. Als bouwmateriaal worden vooral dorre bladeren, grassen en mos gebruikt, soms ook korstmos. De nestkom is met haren, wol en spaarzaam met veertjes gevoerd. De naar boven gerichte zijingang van het vrij losse bolvormige bouwwerk is in verhouding breed, ligt in het bovenste deel van het nest en is schuin naar binnen gericht, zodat de eieren van boven zichtbaar zijn.

Het vrouwtje legt van eind april tot juni 5-7, maar zelden 7, eieren. Het tweede broedsel volgt in juli. De eieren zijn helder wit met weinig glans en paars- tot donkerbruine, en soms roodbruine puntjes en vlekjes, hoofdzakelijk aan het stompe eind. Ze vertonen daar vaak een onduidelijke krans. Ze hebben violetgrijze 'ondervlekken'. Het vrouwtje gaat na het leggen van het laatste ei broeden. De jongen komen na 13-14 dagen uit en worden daarna 13-14 dagen door het vrouwtje gevoerd, waarmee zij ook nog lang na het uitvliegen samen blijven.

Maak jouw eigen website met JouwWeb