Frater

(acanthis flavirostris)

 

De Frater vervangt de Kneu in arctische en bergachtige gebieden. Hij verschilt van bruine Kneuen zonder rood in het kleed door de geelbruine keel en de roze stuit (mannetje). De snavel is in de zomer grijs, in de winter lichtgeel. Het mannetje is de enige kleine vogel met wel roze op de stuit maar niet op de borst of het voorhoofd.

De ondersoort flavirostris komt voor in Scandinavië, in het najaar en de winter tot in W-Europa.

De ondersoort pipilans (Britse eilanden) is donkerder.

De ondersoort brevirostris (Turkije tot Kaukasus) is lichter en heeft een felroze stuit, wittere vleugels en zwarte borstvlekken.

Zijn zang en vluchtroep is Kneuachtig, maar ook een kenmerkend nasaal twait.

Rotsige of met hei begroeide venen, van zeeniveau tot in bergen. In de winter op open lage gebieden, vooral kwelders en in polders.

In Nederland en België een doortrekker en wintergast.

 

L 13,5 / SW 22-24 / DW