Winterkoningen

(troglodytidae)

 

Dit zijn zeer kleine, dikke en compacte vogels met een korte staart. De geslachten zijn gelijk.

 

Winterkoning

(troglodytes troglodytes)

 

Dit is de kleinste bruine vogel uit het gebied, met een duidelijk gebandeerd verenkleed en een snorrende vlucht. Hij wipt vaak met de staart omhoog.

Zijn zang is een karakteristieke, luide, explosieve serie rollende trillers. Zijn roep is tjek, tjek of trik, trik, vaak verlengd tot een snelle scheldende raspende triller, trrrrrrrrrrrrik.

Buiten het seizoen overnachten ze vaak in bolvormige slaapnesten.

In zeer gevarieerde biotopen met voldoende dichte vegetatie, van kust tot in de bergen.

In Nederland en België een zeer talrijke standvogel.

 

L 9,5 / SW 13-17 / BJ

Nest

 

De Winterkoning broedt op schaduwrijke en dichtbegroeide plaatsen van gemengd, loof- en vaak ook naaldbos. Het mannetje kiest een broedplaats uit en begint meteen meerdere nesten tegelijkertijd te bouwen. Hij kan er tot 8 stuks maken. Ze liggen tegen de stam of tussen uitlopers aan de voet van grote bomen, op uitgespoelde beekoevers, in heggen en struiken, in muur-, rots- en boomholten, in de takkenwirwar van struikgewas en klimop- en kamperfoelieranken, in schuurtjes, tuinmeubelen en in opgehangen oude kledingstukken en nog vele andere plaatsen. Vaak gebeurt het ook dat hij zijn nest uit elkaar haalt om het weer ergens met dit materiaal op te bouwen. In deze opgebouwde nesten ontbreekt de binnenvoering. Het vrouwtje wordt door het mannetje gelokt en bekijkt alle nesten en kiest het broednest. De overige nesten zijn zogenaamde 'speelnesten' waarin het mannetje, en na het uitvliegen van de jongen de hele familie, overnacht. Het vrouwtje bekleedt het broednest met wol, haren en veertjes. 

Het nest is een goed aan de omgeving aangepast, langwerpig rond stevig bouwsel met materialen die in de nabijheid gevonden zijn, voornamelijk mossen, dorre bladeren, grassen en varens, en altijd gevoerd met veertjes. De opening aan de zijkant ligt in de bovenste helft van het nest. Het nest is 9-22 cm breed en tot 16 cm hoog. Het is meestal goed verstopt en soms dicht boven de grond.

Hij broedt jaarlijks tweemaal van eind april tot in augustus, en het legsel bevalt meestal 6 (9-10) eieren, die op een witte ondergrond meestal vrij spaarzaam zijn getekend met fijne en grovere rode tot bruinroede puntjes en vlekjes die aan het stompe einde neiging tot kransvorming hebben. Soms zijn ze geheel zonder tekening. Het vrouwtje broedt alleen, 16-18 dagen. Ze begint met broeden nadat het derde tot het laatste ei is gelegd. De jongen vliegen na 14-20 dagen uit. De familie blijft nog korte tijd bij elkaar en slaapt in een van de speelnesten. 

Maak jouw eigen website met JouwWeb