Cirlgors
(emberiza cirlus)
Het mannetje verschilt van het mannetje van de Geelgors door de grijsgroene kruin, achterhoofd en borstband, de zwarte keel en de olijfgrijze stuit. Het vrouwtje en juvenielen zijn geelbruiner dan het vrouwtje en juvenielen van de Geelgors, en zijn altijd te onderscheiden door de olijfgrijze stuit.
Zijn zang is een korte, ratelende triller, als een Braamsluiper, maar vlakker, minder klepperend, meestal vanaf een hoge zangpost (de Geelgors vaak op een lage zangpost). De zang lijkt soms op die van de Geelgors zonder eindtoon. Zijn roep is een scherp zit, hoger dan die van de Geelgors. Ook een Winterkoningachtige snorrende alarmroep.
Bouwland en andere open landschappen met bomen, struiken en heggen.
W-Palearctisch gebied. Vervangt de Geelgors in grote delen van het Middellandse Zeegebied.
In Nederland een dwaalgast, in België een voormalige broedvogel, nu zeldzaam.
L 16,5 / SW 22-25,5 / Z
Maak jouw eigen website met JouwWeb