Gaai
(garrulus glandarius)
De Gaai is onmiskenbaar door de combinatie van een witte stuit (zeer opvallend in de vlucht) en de blauwe en witte vleugelvlekken. De staart is zwart, de rest van het verenkleed variabel, met een groot aantal ondersoorten.
De ondersoort glandarius (Scandinavië, C-Europa) is rozegrijs met een gestreepte kruin.
De ondersoort hibernicus (Ierland) is iets roodbruiner en heeft minder grijs op de mantel.
De ondersoort glaszneri (Cyprus) heeft een donkerdere mantel, een roodachtig voorhoofd en een kleinere snavel. Dennen- en eikenbossen in bergen.
De ondersoort brandtii (Oeral) heeft een grijzere mantel, een roodbruine kop en een donker gestreepte kruin.
De ondersoort severtzowi (N-Rusland) is intermediair tussen de brandtii en de glandarius.
De ondersoort krynicki (NO-Turkije, Kaukasus) heeft een zwarte kruin, een wit voorhoofd en een rozige oorstreek.
De ondersoort atricapillus (Midden-Oosten) is licht met een zwarte kruin, een wit voorhoofd en een witachtige oorstreek.
De ondersoort cervicalis (NO-Algerije, N-Tunesië) heeft een geheel zwarte kruin en een zuiver witte oorstreek.
De ondersoort minor (Atlasgebergte) heeft een zwart gestreepte roodbruine kruin, een rozige oorstreek en een grijze mantel, is verder overigens vrij donker.
De ondersoort whitakeri (N-Marokko, NW-Algerije) lijkt op de minor maar de oorstreek is witachtig met een rozebruine waas, en het achterhoofd en de zijhals zijn contrasterend diep rozebruin.
Hij wordt vaak ontdekt door de luide en scheldende en krassende roep, skrèèèèk. Ook een miauwend kieuw en allerlei andere merkwaardige geluiden. Hij heeft geen duidelijke zang, wel soms een subzang van allerlei geluiden (soms in groepen).
Zijn vlucht is opmerkelijk golvend. Op de grond hipt hij.
Meestal leeft hij solitair of in kleine groepjes. Hij verzamelt en verstopt eikels in het najaar.
Bossen en parken.
In Nederland en België een talrijke standvogel. Ook periodieke invasies vanuit NO-Europa komen voor.
L 34 / SW 52-58 / BJ
Nest
De Gaai nestelt in alle bostypen, in loofbossen, zowel in gemengd bos en naaldbos, 2-6 m hoog in bomen of struiken.
Beide partners bouwen eerst ongeveer 3 weken lang voordat het eerste ei wordt gelegd. Het nest is in vergelijking met andere kraaiachtigen niet zo groot. De buitenste diameter bedraagt ongeveer 30 cm, het is vlak en heeft een verhoudingsgewijs diepe nestkom. Hij gebruikt voor de bouw voornamelijk dunne takken. De binnenzijde van het nest bestaat uit worteldraden, plantenstengels, soms wat aarde en paardenhaar.
Het leggen van de eieren hangt samen met de bebladering van de bomen en kan zo van april tot eind juni duren. Het broedsel bevat 5-7, bij uitzondering tot 10 eieren. De eieren zijn ovaal, glanzend en meestal groengrijs of olijfachtig geel van kleur met grijsbruine vlekjes die vrij regelmatig over de gehele oppervlakte zijn verdeeld en af en toe een krans om de stompe pool vormen. Aan het stompe einde komen vaak zwartbruine streepjes voor. Beide partners lossen elkaar 16-17 dagen bij het bebroeden van de eieren af. Het vrouwtje begint al na het leggen van het eerste of het tweede ei met broeden. Ondanks dat zijn de jongen ongeveer even groot. Ze gedragen zich in het nest tamelijk stil en verlaten dit als zij ongeveer drie weken (19-21 dagen) oud zijn. De oudervogels gaan ook na het uitvliegen met voeren door en de familie blijft tot in de herfst bij elkaar.
Maak jouw eigen website met JouwWeb