Nachtegaal

(luscinia megarhynchos)

 

De Nachtegaal is als een grote, geheel bruine Roodborst met een opvallende roodbruine stuit en staart. De geslachten zijn gelijk. Juvenielen zijn als grote juveniele Roodborsten maar met een roodbruine staart (minder roodbruin dan de juveniele Gekraagde Roodstaart) en lichtere onderdelen.

Hybridiseert met de Noordse Nachtegaal in gebieden in C-Europa waar de verspreiding overlapt. Hybriden zijn intermediair in voorkomen, de zang lijkt het meest op die van de Nachtegaal.

Zijn zang is zeer rijk en gevarieerd in volume en tonen, en met crescendo's, zowel overdag als 's nachts, meestal vanuit dichte struiken, soms vanaf een open zangpost. Zijn andere geluiden zijn o.a. een tapuitachtig tak-tak, een scheldend kerrr en een raspend/kwakend kjaarrr. Zijn alarmroep is een oplopend huwiet.

Dichte struikvegetaties en loofbossen met dichte ondergroei.

In Nederland en België een algemene broedvogel, vooral talrijk in de duinstreek.

 

L 16,5 / SW 23-26 / B

Nest

 

De Nachtegaal nestelt in bossen met veel en dichte ondergroei die niet te hoog en niet te laag is, bijzonder graag in eikenhakhout waaronder brandnetels staan. In parken en tuinen, op begraafplaatsen en buitenplaatsen. Ze bouwen hun nest op de grond of vlak daarboven in een wirwar van takken en gras, in kamperfoelie, dichte struikjes en soms in de topjes van kleine naaldboompjes. 

Het nest is vrij los gebouwd en bestaat van onderen uit droge bladeren en van boven uit plantenwortels, halmen, mos en vaak ook paardenhaar met soms ook enkele veertjes erbij. De bouw van dit slordige en weinig toonbare nest duurt ongeveer 3 dagen en wordt vermoedelijk alleen door het vrouwtje gedaan.

Meestal broeden ze maar eenmaal per jaar, van mei tot in juni. Het broedsel bevat 4-6, meestal 5 eieren. Deze zijn zeer verschillend gevormd. De grondkleur van de eieren is olijfgroen, vaak ook olijfbruin, soms licht bruingroen. Ze zijn met bruine vlekken en fijne zwarte haaltjes bedekt. Het mannetje bekommert zich niet om het bebroeden van de eieren. Na 13 dagen komen de jongen uit en ze worden gedurende de eerste dagen alleen door het vrouwtje verzorgd. Later begint ook het mannetje interesse te tonen. Het aangebrachte voedsel voor de jongen overhandigt hij in het begin aan het vrouwtje, maar later voeren beide ouders even ijverig. De jongen verlaten het nest als zij nog niet helemaal zijn volgroeid en verbergen zich snel naar alle richtingen in de dichte ondergroei. Na 3 dagen fladderen ze rond en zijn na 10 dagen zelfstandig.