Grasmus

(sylvia communis)

 

Het mannetje en de adult Brilgrasmus zijn de enige grasmussen met een combinatie van een grijze kop (bruin bij het vrouwtje van de Grasmus), een witte oogring, roodbruine vleugels en een opvallende witte keel. Beide hebben wit in de buitenste staartpennen. Onvolwassenen zijn als het vrouwtje, maar de keel is vuilwit.

Hij heeft een korte krassende zang met een kenmerkende cadans, vanaf een zangpost of in een korte zangvlucht. Zijn roep is een nasaal wed-wed-wed.

Dichte struikvegetaties, heggen.

In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker.

 

L 14 / SW 18,5-23 / BD

Nest

 

De Grasmus nestelt in zeer verschillende struiken, liefst doornige, in hoog gras, tussen kruidachtige planten en dergelijke vegetatie langs bos- en veldranden, op onvruchtbare terreinen, in verlaten rommelhoekjes, in kloven en aan oevers van beken en stilstaand water. Het mannetje komt wat vroeger uit het overwinteringsgebied, zoekt een territorium en bouwt daarin enkele grote nestonderlagen. Later voegt het vrouwtje zich daarbij en ze voltooien samen het nest. 

Voor het nest gebruiken ze vrijwel hetzelfde materiaal als de Zwartkop, maar de nestrand is uit vruchtpluis, wol en rupscocons gevlochten. Het nest is laag boven de grond, meestal in de dichte begroeiing.

De Grasmus broedt tweemaal per jaar van mei tot juli. Ze leggen 4-5 eieren die in kleur zeer variabel kunnen zijn. Ze zijn roomkleurig, grijsachtig, groenachtig, soms blauwachtig wit of roodachtig geel met loodgrijze tot okergele, zelden roodbruine vlekken en stipjes en aan de stompe pool wordt meestal een krans of kap gevormd. Beide partners broeden 12-13 dagen. De jongen komen in verloop van 3-18 uren uit. De oudervogels zitten daarna nog 4-5 dagen ononderbroken op het nest en 9-10 ook nog 's nachts. De jongen hebben dan al veren en hebben dan geen andere bescherming meer nodig. Op de twaalfde dag verlaten zij het nest en gaan zij op de takken in de buurt zitten. De ouders voeren hun jongen, die al kunnen vliegen, nog 3 weken.