Strandlopers
(scolopacidae)
Dit zijn steltlopers met een lange hals, een lange snavel en lange poten, waaronder strandlopers, snippen, grutto's, wulpen, ruiters en franjepoten.
Ze hebben hun broedgebieden in toendra en hoogveengebieden. In de winter zijn ze voornamelijk langs kusten.
Strandlopers
(calidris, limicola)
Strandlopers zijn het meest vrij kleine steltlopers met een middellange snavel en poten en een relatief korte hals en vleugels. Ze hebben allen een witte vleugelstreep in de vlucht.
Hun roepjes zijn fluitend of trillend, vrij zacht. In groepen hebben ze vaak een gemeenschappelijk zacht gekwetter en gemurmel.
bonte strandloper
krombekstrandloper
kanoet
grote kanoet
drieteenstrandloper
temmincks strandloper
kleine strandloper
grijze strandloper
alaskastrandloper
taigastrandloper
kleinste strandloper
roodkeelstrandloper
paarse strandloper
bonapartes strandloper
bairds strandloper
siberische strandloper
gestreepte strandloper
breedbekstrandloper
kemphaan
kemphaan
bartrams ruiter
blonde ruiter
kleine grijze snip
grote grijze snip
Snippen
(gallinago, lymnocryptes, scolopax)
Snippen zijn middelgrote en kleine (Bokje) steltlopers met een lange snavel en korte poten. Ze hebben een gestreepte kop en een ingewikkelde tekening op de bovendelen.
Het zijn broedvogels van moerassen, vochtige weilanden, veengebieden en heide. Ook bosgebieden (Houtsnip).
Ze overwinteren bij dichtbegroeide modderige oevers van zoetwater, soms in droger terrein.
watersnip
stekelstaartsnip
poelsnip
siberische snip
bokje
houtsnip
Grutto's
(limosa)
Dit zijn middelgrote steltlopers. Ze verschillen van wulpen door de rechte of licht opgewipte snavel, andere roepen en het rode zomerkleed.
De drie hier voorkomende grutto's zijn in de vlucht makkelijk herkenbaar aan de al dan niet aanwezige of opvallende witte vleugelstreep en aan de zwarte dan wel gebandeerde staart. Enigszins gelijkende snippen (limnodromus) hebben een smalle witte plek op de rug en stuit.
grutto
ijslandse grutto
rode grutto
rosse grutto
willet
Wulpen
(numenius)
Wulpen zijn grote steltlopers. In zit lijken ze uniform bruin gevlekt, in de vlucht hebben ze een witte onderrug en stuit. Ze hebben een lange tot zeer lange snavel en voorbij de staart stekende poten in de vlucht (in tegenstelling tot oppervlakkig erop lijkende onvolwassen meeuwen).
wulp
kleine regenwulp
dunbekwulp
regenwulp
Ruiters
(tringa, xenus, actitis)
Dit zijn middelgrote en kleine steltlopers met een lange snavel en (meestal) lange poten.
Ze vormen geen grote groepen. In de winter bij ondiep zoet-, brak- en zoutwater
zwarte ruiter
tureluur
poelruiter
kleine geelpootruiter
grote geelpootruiter
groenpootruiter
bosruiter
witgat
amerikaanse bosruiter
terekruiter
siberische grijze ruiter
oeverloper
amerikaanse oeverloper
steltstrandloper
Steenlopers
(arenaria)
Dit zijn kleine plevierachtige, kustbewonende steltlopers. Ze zijn alleen tijdens de trek in het binnenland.
steenloper
Franjepoten
(phalaropus)
Franjepoten zijn kleine, vaak niet-schuwe aan water gebonden steltlopers. Ze zijn grijs-wit in de winter, met roodbruine tinten in de zomer. De tenen zijn gelobd. De mannetjes zijn kleiner en in de zomer valer dan vrouwtjes.
Hun vlucht is zwak. Het zijn goede zwemmers, als miniatuur meeuwtjes dobberend en ronddraaiend, waarbij ze insekten van de oppervlakte pikken.
Hoogvenen en toendra met ondiepe poelen.
rosse franjepoot
grauwe franjepoot
grote franjepoot
Maak jouw eigen website met JouwWeb