Merel
(turdus merula)
Dit is een van de meest algemene vogelsoorten in Europa. Zijn staart is langer dan bij andere lijsters. Het adult mannetje is de enige diepzwarte vogel met een helder oranjegele snavel. Het vrouwtje en onvolwassenen zijn donkerder bruin, juvenielen zijn roodbruiner dan andere algemene lijsters, met een minder opvallend gespikkelde borst en met een zwartachtige snavel.
Vrouwtjes van de ondersoorten mauritanicus (NW-Afrika), cabrerae (W-Canarische Eilanden) en azorensis (Azoren) zijn kleiner en donkerder, van de mauritanicus ook grijzer.
Zijn zang is weemoedig fluitend, niet luid en bellend als die van de Grote Lijster of herhalend als die van de Zanglijster. Zijn roep is tjoek, tjoek, soms overgaand in een luide ratelende alarmroep, een aanhoudend pink, pink bij de slaapplaats of tijdens het belagen van een predator, of een hoog langgerekt tsie of een kort srie.
Zijn vlucht is recht, onstuimig, na de landing steekt hij zijn staart omhoog. Hij hipt en loopt, tijdens het foerageren vaak stilstaand met een schuin gehouden kop, luisterend naar wormen.
Bossen, tuinen, boomgaarden, parken. In het westen algemeen in dorpen en steden.
In Nederland en België het gehele jaar talrijk.
L 24-25 / SW 34-38,5 / BJ
Nest
De Merel broedt tegenwoordig haast overal. In bossen in de dichte kronen van de bomen en struiken, 'stadsmerels' bouwen in rijs- en houtopslagplaatsen, in heggen, onder daken, onder daklijsten, achter regenpijpen, op de grond, bijna overal waar een ondergrond beschikbaar is waarop het nest kan rusten.
Het nest wordt naar gelang de standplaats meer of minder goed, doch doorgaans zeer stevig gebouwd uit worteldraden, droge grassen, grassen, droge takjes, mossen, vaak met papier of stukken plastic. Van binnen wordt het verstevigd met een laag vochtige aarde die met fijne grasjes en halmpjes wordt gevoerd. Soms zijn er ook veren in de nestkom. Het nest heeft een doorsnede van 13-20 cm, de hoogte is 7-9 cm. De nestkom heeft een diameter van 7-10 cm en is 4-6 cm diep.
De Merel nestelt twee- tot driemaal per jaar. Het eerste legsel verschijnt meestal in april, bij 'stadsmerels' soms al in maart. Het legsel bevat 4-6 eieren. Het tweede, eventueel derde legsel bevat gemiddeld 4 eieren. Deze zijn in kleur zeer variabel. De grondkleur is meestal blauwachtig groen, soms meer naar het blauwe zwemend, veel minder vaak grijsachtig blauw of geelachtig grijs, meer of minder dicht getekend met fijne en grovere, geelbruine tot roestrode vlekjes en vlekken, die vaak meest aan de stompe pool een krans of kap vormen. Het vrouwtje broedt 12-14 dagen en wordt door het mannetje zo nu en dan afgelost. Beide oudervogels voeren twee weken hun jongen en nog ongeveer twee weken na het uitvliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb