Kramsvogel
(turdus pilaris)
De Kramsvogel verschilt van alle andere lijsters door de combinatie van een grijze kop en stuit en een kastanjebruine mantel en vleugeldekveren. Het contrast is het grootst bij het mannetje. Juvenielen zijn valer dan de adult, hebben alleen grijs op de stuit en wit gespikkelde bovendelen en een roomwitte wenkbrauwstreep. In de vlucht van onder het best te herkennen aan de combinatie van witte ondervleugels (alleen de Grote Lijster heeft deze ook) en de kenmerkende kakelende tsjak-tsjak-tsjak roep.
Zijn zang is een mengsel van kakelen, piepen en fluiten, soms ook in koor door trekkende groepen in het voorjaar.
Open naald- en loofbos, beboste veengebieden en randen van toendra, soms ook in stadsparken en tuinen. Tijdens de trek vaak in duinen. Inn de winter vaak op weilanden en andere graslanden.
In Nederland een schaarse, in België een talrijke broedvogel, in beide een talrijke doortrekker en wintergast.
L 25,5 / SW 39-42 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb