Roodborsttapuit
(saxicola torquata)
Het mannetje is opvallend, met een zwarte kop, keel en bovendelen, een oranjebruine borst en een witte zijhals en schoudervlek. De stuit is licht, maar meestal gevlekt. De zwarte delen van het mannetje zijn in de winter bruinachtig. Het vrouwtje is minder contrastrijk, met bruine bovendelen. Hij heeft geen kastanjebruine keel, witte wenkbrauwstreep of een witte staartzijde.
De ondersoort rubicola (Europa, N-Afrika) heeft een oranjebruine borst, een gestreepte licht-roodbruine stuit en grijsbruine okselveren.
De ondersoort hibernans (Britse eilanden, Portugese kust) is donkerder, de borst bruiner rood.
De Aziatische Roodborsttapuit (soms als een aparte soort opgevat) omvat de ondersoorten maura en stejnegeri (dwaalgasten in W-Europa, ook in Nederland) met een ongestreepte witte stuit, een opvallende lichte wenkbrauwstreep, een lichte vleugelstreep en zwarte okselveren, en de ondersoorten armenica en variegata (doortrekkend in het Midden-Oosten, in de winter in NO-Afrika) met grote witte vlekken op de stuit, schouder en zijhals, en een witte zijstaartbasis. De ondersoort variegata is bovendien zeer licht.
Zijn zang is een kort krassend gebabbel, vaak in een dansende zangvlucht. Zijn roep is trak, trak of wie-trak-trak.
Hoogvenen, heides en kustgebieden met lage struiken als brem, stekelbrem, duindoorn. Ook bij weilanden en bouwland. Meestal onder de 600 m.
In Nederland en België een broedvogel, in aantal achteruitgaand. In klein aantal overwinterend.
L 12,5 / SW 18-21 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb