Zwartkop

(sylvia atricapilla)

 

De Zwartkop is grijzer bruin dan de Tuinfluiter, makkelijk te herkennen aan de kruin: zwart bij het adulte mannetje, zwart met bruin bij het onvolwassen mannetje (het bruin verdwijnt langzaam in najaar/winter) en roodbruin bij het vrouwtje en juvenielen. In tegenstelling tot de Matkop en Glanskop hebben ze geen lichtere wangen. Er bestaat ook een melanistische vorm, deze is bijna geheel donkergrijs/zwart.

Zijn zang is hoger en bestaat meer uit duidelijk begrensde strofen dan die van de Tuinfluiter, overgaand in een slotdeel van hoge heldere fluittonen, vaak het enige op afstand hoorbare deel. Soms echter moeilijk te onderscheiden van de Tuinfluiter. Zijn roep is een hard tek.

Bossen, parken en tuinen met hoge bomen en struiken en dichte ondergroei.

In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker, enkele overwinteren.

 

L 14 / SW 20-23 / BJ

Nest

 

De Zwartkop broedt het liefst in heesters, struiken en heggen, zoals sneeuwbes, hulst, rododendrons, bramen en dergelijke, in tegen bomen opgroeiende klimplanten zoal kamperfoelie, maar ook tussen brandnetels en kruidachtige vegetatie. Soms in de toppen van jonge naaldboompjes.

Het nest ligt zelden hoger dan 2 meter boven de grond. In vergelijking met andere grasmussoorten is het nest wat vaster gebouwd. als bouwmateriaal dienen allerlei plantenstengels en grassen en in de nestkom worden vaak paardenharen gebruikt. Het bouwsel heeft en buitendiameter van 10-11 cm, de diameter van de nestkom is ongeveer 5 cm en de diepte 6 cm. Het nest wordt door beide partners gebouw. De bouwwijze is gelijk aan die van de Grasmus.

De Zwartkop broedt tweemaal per jaar van mei tot juli en legt meestal 4-5, zelden 6 eieren, waarvan de kleur zeer variabel is. Ze zijn grijsachtig, geelachtig, bruinachtig, veel minder vaak roodachtig en zelden bleekblauwachtig wit, getekend met alle schakeringen van bruin, grijsviolette 'ondervlekking' en vaak enkele zwarte puntjes of een donker veegje of haaltje. Soms ook met roodbruine 'brandvlekken'. Ook volkomen rode en gevlekte eieren zijn geen zeldzaamheid. Bij het leggen van het laatste ei, soms zelfs reeds bij het tweede ei, wordt er met broeden begonnen. De jongen worden 10-11 dagen lang gevoerd.