Huisgors
(emberiza striolata)
Het mannetje heeft een grijze kop, hals en bovenborst en een variabele witte kopstreping. De onderdelen zijn licht roodbruin, de bovendelen warmbruin, de buitenste staartpennen roodbruin (wit bij de Grijze Gors). De bovensnavel is zwart, de ondersnavel geel. Het vrouwtje is min of meer egaal warmbruin.
De ondersoort striolata (ZW-Azië) heeft een opvallende zwart-witte kopstreping, lijkend op die van de Grijze Gors.
De ondersoort sahari (N-Afrika) is minder gestreept op de mantel en heeft een vage lichte wenkbrauw- en mondstreep.
Zijn zang is Roodstaartachtig. Zijn roep is een nasaal tzswie, vaak terwijl hij zich neerdrukt op een steen, kozijn of dak.
In N-Afrika veel in dorpen en steden, aan mensen gebonden als een Huismus. In ZW-Azië ook in woestijnen en rotsige wadi's, soms samen met geiten- en schaapskuddes.
L 19 / SW 26-32 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb