Huiszwaluw

(delichon urbica)

 

Dit is de enige zwaluw met een opvallende witte stuit (maar verwar hem niet met de twee witstuitige gierzwaluwen en de Roodstuitzwaluw) en geheel witte onderdelen. De bovendelen zijn blauwzwart, bij juvenielen met een bruine zweem. De staart is ondiep gevorkt.

Zijn roep is een kort prrit of pr-prrit, ook een sputterend tjirrp of tji-tjirrp. Hij heeft een zacht kwetterende zang, gebaseerd op de roep.

Hij broedt in of bij boerderijen, dorpen, kleine steden, grotten, kliffen, groeven. De nesten zitten vaak onder richels en goten van gebouwen, soms tegen een rots. Hij heeft een bolvormig nest van opgedroogd modder met een spleetvormige opening.

In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker.

 

L 12,5 / SW 26-29 / BD

Nest

 

De Huiszwaluw is, net als de Boerenzwaluw, gebonden aan de omgeving van de mens. Oorspronkelijk broedden zij aan rotswanden, waar ze nu ook nog wel te vinden zijn. In tegenstelling tot de Boerenzwaluw zoeken ze niet alleen dorpen en gehuchten op, maar ook centra van grotere plaatsen. Een ander duidelijk onderscheid is dat zij het nest bouwen aan de buitenzijde van gebouwen en slechts bij uitzondering binnen in ruimtes. Soms ook onder bruggen of tunnelranden.

Het nest wordt altijd aan een uitsteeksel gemetseld dat door een dak van een huis of een voorgevel wordt beschut voor regen. Het nest is kwart-bolvormig. Ze beginnen meestal in mei een nieuw nest te bouwen of een oude te herstellen. Beide partners werken hier aan mee. Voor de bouw zijn 8-18 dagen nodig, afhankelijk van het weer, omdat zij daarvoor vochtige klei of leem nodig hebben. De Huiszwaluw mengt, in tegenstelling tot de Boerenzwaluw, niet zoveel halmpjes door het nest. Het nest is letterlijk en figuurlijk aan de muur geplakt en dit houdt wel enkele jaren. De buitenste diameter is 11-15 cm, de hoogte 7-12 cm. De binnenzijde is met grashalmpjes en veren bekleed.

Meestal wordt het eerste legsel in mei gelegd, het laatste kan in augustus en zelfs in september voorkomen.  Meestal hebben zij twee broedsels per jaar. Het legsel bevat 4-5 helderwitte, glanzende eitjes. Beide partners wisselen elkaar af bij het broeden. Dit duurt 12-14 dagen, maar kan ook 17-20 dagen duren. De oudervogels komen ook na het uitvliegen van de jongen vaak op het nest zitten. De jongen worden 20-23 dagen in het nest door de ouders gevoerd met kleine voedselballetjes die uit samengeperste insecten bestaan. Een klein deel van de jongen schijnt in de nesten terug te komen om te overnachten. De oudervogels blijven hun nesten trouw en keren het daarop volgende jaar weer terug. De jongen verspreiden zich in de omgeving.

Maak jouw eigen website met JouwWeb