Strandleeuwerik
(eremophila alpestris)
Van enige afstand lijkt hij als andere leeuweriken rozebruin met donkere vlekken en met een zwarte staart met witte zijden. Van dichtbij heeft de adult een kenmerkend geel-zwart koppatroon, het mannetje in de zomer met kleine zwarte hoorntjes.
De ondersoort brandti (Z-Rusland) is lichter en grijzer, het gezicht wit (niet geel).
De ondersoort atlas (Atlasgebergte) is lichter bruin (niet rozig) en heeft langere hoorntjes.
De ondersoorten balcanica (Balkan), penicillata (Klein-Azië, Kaukasus) en bicornis (Libanon, Israël) zijn iets groter, het gezicht is lichter geel en het zwart van de wang is verbonden met de zwarte borstband.
Zijn meest gehoorde roep is tsip of tsiep, als de Oeverpieper en de Gele Kwikstaart. Ook een dun dalend sie-die-wie. Zijn zang lijkt op die van de Veldleeuwerik, soms in een zangvlucht.
Hij heeft een opvallende golvende vlucht. Ook kan hij zeer snel rennen.
Toendra en rotskusten in Arctis, alpiene zones in bergen. In de winter langs de kust, in duinen, strandvlaktes, akkers, soms samen met de Sneeuw- en IJsgors.
In Nederland en België een doortrekker (vooral in het najaar) en wintergast.
L 14-17 / SW 30-35 / DW
Maak jouw eigen website met JouwWeb