Kleine Vliegenvanger
(ficedula parva)
Het adulte mannetje heeft een rode keel en borst. De rode borst van het mannetje is pas na 2-3 jaar volledige uitgekleurd. Het 1e-zomer mannetje broedt zonder rode borst. Beiden geslachten hebben geen vleugelstrepen en hebben een groot oog, een opvallende witte oogring en een witte zijstaartbasis, die opvalt bij het veelvuldig staartwippen. Onvolwassenen zijn als het vrouwtje en hebben in het najaar lichtbruine toppen aan de grote vleugeldekveren.
Zijn zang is variabel, het begin doet denken aan een Boompieper, het slot aan een Fitis maar minder vloeiend. Zijn roep is een scherp tsjik en een raspende Winterkoningachtige ratel.
Loofbossen.
In Nederland en België een doortrekker in zeer klein aantal.
L 11,5 / SW 18,5-21 / bD
Maak jouw eigen website met JouwWeb