Geelpootmeeuw

(larus cachinnans)

 

De Geelpootmeeuw werd vroeger beschouwd als een ondersoort van de Zilvermeeuw maar kwamen naast elkaar voor in kolonies in W-Frankrijk. Hij verschilt hiervan door de gele poten, de grijsgele iris, de vermiljoenrode oogring, de diepgele snavel met een grotere rode vlek en de donkerder grijze mantel. In de winter heeft hij geen of weinig lichtere kopstreping. De handpennen van onvolwassenen zijn meestal uniform donker. 

De ondersoort michahellis (W-Frankrijk tot Marokko en Middellandse Zee) varieert in grootte en hybridiseert met de ondersoort cachinnans op de Balkan.

De ondersoort atlantis (Azoren, Canararische Eilanden) is het kleinst en donkerst en de meesten hebben slechts een kleine witte vlek op de buitenste handpen.

Zijn vlucht is als die van de Zilvermeeuw.

In ZW-Nederland en België (ondersoort michahellis) in groot aantal langs de kust, vooral in het najaar. Soms vormt hij een broedpaar met de Kleine Mantelmeeuw.

 

L 55-67 / SW 137-142 / bJ

Maak jouw eigen website met JouwWeb