Ortolaan

(emberiza hortulana)

 

Het mannetje heeft in de zomer grotendeels een groengrijze kop en borst, met een lichtgele keel en mondstreep en gele oogring, rozebruine onderdelen en een gele ondervleugel. Het vrouwtje en juvenielen zijn respectievelijk valer en bruiner dan het mannetje, beide zijn donker gestreept op de borst.

Hij heeft een klagende zang van 6-8 zuu- en zie-tonen, maar dat varieert per regio. Zijn roep is een zacht Cirlgorsachtig zit, een fluitend tsuu of een vloeiend pwit in de vlucht.

Bossen en struikvegetaties, spaarzaam begroeide stenige hellingen, wijngaarden, tuinen, bouwland. Vaak bij zoetwatergebieden, maar zijn voorkeur gaat uit naar zandgronden boven zware kleibodems.

In Nederland als broedvogel vrijwel of geheel verdwenen, in België een zeer schaarse broedvogel. In beide een doortrekker in kleine aantallen.

 

L 16,5 / SW 23-29 / bD

Maak jouw eigen website met JouwWeb