Gierzwaluw
(apus apus)
De Gierzwaluw is wijd verspreid. Hij verschilt van alle zwaluwen door de lange sikkelvormige vleugels, de korte staart en het vrijwel geheel donkere verenkleed. De keel is witachtig (bij juvenielen minder opvallend). Juvenielen zijn bruiner dan de adult met een een grotere keelvlek en lichte randen aan de lichaams- en vleugelveren.
Ondersoorten zijn niet te onderscheiden in het veld, maar de lichtere, bruinere ondersoort pekinensis (Iran) heeft soms een licht voorhoofd en een grotere vuilwitte kinvlek, wat met de Vale Gierzwaluw verward kan worden.
Hij heeft een energieke vlucht, glijdend, zwenkend, scherend, opgewonden schreeuwende, elkaar om gebouwen achtervolgende troepen.
Zijn normale roep is hoog en krassend.
Hij foerageert boven zoetwater, open gebieden en bebouwing.
Hij nestelt in holtes en spleten van rotsen en gebouwen, veelvuldig in dorpen en steden.
In Nederland en België een talrijke broedvogel en doortrekker. Hij trekt weg naar Afrika.
L 16-17 / SW 42-48 / BD
Nest
De Gierzwaluw broedt in kleine kolonies op torens en hoge gebouwen, zoals kerk- slot- en klokkentorens, maar ook op woonhuizen in spleten, holten en muurgaten, onder dakpannen, in rieten dakbedekking en oude nesten van Huismussen, Huis- en Oeverzwaluwen. In hoger gelegen gebieden nestelen ze niet alleen in boomholtes, maar ook in nestkastjes. Tussen eind april en begin mei keren ze terug naar hun nestplaatsen. Hij zoekt zijn nest meerdere jaren achterelkaar weer op. Als zijn nestholte dan al door een andere vogel is ingenomen, gooit hij diens nest en zonodig het hele broedsel er uit.
Ze broeden eenmaal per jaar van midden mei tot in de eerste helft van juni. Het nest bestaat uit een slordig hoopje halmpjes, haren, draadjes wol, veren, boomzaden en droge blaadjes. Dit nestmateriaal wordt vliegend door de Gierzwaluw in de lucht opgepikt als het door de wind de lucht in is geblazen. De fijne materialen worden met wat speeksel aan elkaar gekleefd, dat opdroogt en hard wordt. De doorsnede van het nest is 8-15 cm, de hoogte is 1-2 cm. De nestkom is vlak. De bouw van het nest duurt 10-12 dagen. Doordat een nest talloze jaren wordt gebruikt, ontstaat natuurlijk en wat groter bouwsel.
Het legsel bevat 2, vaak ook 3 eieren die beide vogels 18-21 dagen bebroeden. De eieren zijn lang van vorm met een gelijkmatige schaaltextuur, wit en zonder glans. Beide oudervogels voeren hun jongen met speciale klompjes voer die uit speeksel en kleine insecten bestaan. De insecten worden in de vlucht gevangen. De jongen verblijven gemiddeld 42 dagen in het nest, maar dit hangt van de weersomstandigheden af. Ze kunnen enkele dagen zonder voedsel blijven als dit nodig is. Na het verlaten van het nest keren de jonger en niet meer terug. Bij gebrek aan voedsel door slechte weersomstandigheden kunnen de oudervogels soms de eieren of de jongen enkele dagen in de steek laten zonder dat dit schadelijk is voor het broedsel.
Maak jouw eigen website met JouwWeb