Stormmeeuw
(larus canus)
De Stormmeeuw is kleiner dan de Zilvermeeuw en de poten en minder dikke snavel zijn egaal geelgroen. De snavel heeft in de winter een donkere band bij de punt. De Kokmeeuw heeft in de winter rode poten en snavel, een witte voorrand aan de handvleugel en geen witte vlekken in de zwarte vleugelpunt. De adult-winter heeft een asbruine kopstreping als de Zilvermeeuw, niet donker vlekkerig zoals de Kokmeeuw. Juvenielen en onvolwassenen zijn witter op de staart en bovendelen dan de Zilvermeeuw.
Zijn vlucht is sierlijker dan die van de Zilvermeeuw, maar minder sierlijk als die van de Kokmeeuw. Hij valt de Kokmeeuw vaak in de vlucht aan om voedsel afhandig te maken, als een jager.
Zij roep is hoger en scheller dan die van de Zilvermeeuw, kie-jaa of klie-uu. Ook een klokkend kak-kak-kak.
Rots-, zand- en kiezelkusten en eilanden of in het binnenland bij zoetwater. In de winter aan kusten, estuaria, bouwland of steden.
In Nederland en België een broedvogel, vooral in duinen, en doortrekker en wintergast.
L 40-42 / SW 110-130 / BJ
Nest
De Stormmeeuw broedt zowel aan zout- als aan zoetwater, op hoogten en heuvels en geeft de voorkeur aan rotsige of met gras begroeide plaatsen aan de kust of aan oevers van rivieren en meren in het binnenland. Ze leven niet zo sociaal als de andere meeuwensoorten en nestelen in kleinere kolonies of zelfs alleen. Ze broeden soms ook in bomen en in het buitenland zelfs ook op daken, in pijnbomen en oude kraaiennesten. Ze nestelen slechts 1 keer per jaar, tussen mei en juli.
Aan het nest wordt door beide oudervogels 2-3 dagen gebouwd en het bestaat uit een stevig bouwsel van grassen, zeewier, strandplanten, stro, mos, aanspoelsel, stengels en dergelijke, al naar gelang de onderlaag. Zo zijn de nesten die op vochtige plaatsen gebouwd zijn veel hoger dan die op een droge bodem liggen.
Het volledige legsel bestaat meestal uit 3 eieren, vaak ook uit 2, zelden uit 4 of 5 eieren, die het vrouwtjes met tussenpozen van 1,5-2 dagen legt. De grondkleur is, zoals bij de meeste meeuwen, erg variabel. Ze kunnen van licht- tot donkerolijfbruin zijn, vaak naar het groen-, geel-, grijsachtige of blauwachtige af, met meer of minder dichtopeenstaande, onregelmatig gevormde, rood- tot zwartbruine vlekken en vegen die soms een neiging tot kransvorming aan de stompe pool hebben. De broedtijd duurt 26-28 dagen waarbij de beide vogels elkaar elke 2-3 uren op het broedsel aflossen. Ze beginnen normaal gesproken pas dan te broeden wanneer het legsel volledig is. De jongen verlaten in de leeftijd van 3-5 dagen het nest en blijven zich in de buurt ophouden. Na 57-60 dagen kunnen ze vliegen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb