Kraai

(corvus corone)

Zwarte Kraai

(corvus corone corone)

 

Dit is de westelijke ondersoort van de Kraai. Hij verschilt van de even grote Roek door de groenige glans  en het ontbreken van de broekveren, van de adult ook door de bevederde snavelbasis. Hij verschilt van de kleinere Kauw door de egale kop, van de grotere Raaf door de minder zware snavel.

Zijn roep is een vaak driemaal herhaald raspend kèèrgt of kraa

Zijn vliegwijze en biotoop is als die van de Bonte Kraai.

Hij leeft meestal solitair, in paren of in familiegroepjes, maar soms ook in grotere groepen, vooral op slaapplaatsen.

In Nederland en België een talrijke standvogel.

 

L 47 / SW 93-104 / BJ

Bonte Kraai

(corvus corone cornix)

 

Dit is de oostelijke ondersoort van de Kraai. Hij verschilt van de andere zwarte kraaien door het grijze lichaam.

Het geluid is als die van de Zwarte Kraai. 

Zijn vlucht is vrij zwaar.

Op de grond loopt hij en hipt zijwaarts.

In allerlei biotopen maar niet in toendra, woestijnen en kale bergtoppen. Hij nestelt in bomen en op rotsrichels.

Britse eilanden, N- en O-Europa, W-Azië.

In Nederland een onregelmatige broedvogel (waddeneilanden). In Nederland en België een doortrekker en wintergast.

 

L 47 / SW 93-104 / bDW

Het verspreidingsgebied van Zwarte en Bonte Kraaien vertonen overlapzones, waar vaak ook hybridisatie optreedt. In C-Europa westwaarts tot in Nederland (waddeneilanden).

De ondersoort sardonius (Corsica, Sardinië, Italië, ZO-Europa, Turkije, Levant, Egypte) is kleiner en vaak lichter.

De ondersoort sharpii (Oeral tot Iran, in de winter tot Z-Irak) is ook lichter.

De ondersoort capellanus (N-Irak, ZW-Iran) is veel groter en de lichte delen zijn melkwit.

Nest

 

De Kraai nestelt in afwisselend terrein, waar in het open landschap kleine bosjes, korenvelden en boomgroepen elkaar afwisselen. Ook broeden ze in de nabijheid van plaatsen waar mensen wonen, in parken, op kerkhoven en buitenplaatsen. In bossen alleen aan de randen. Er zijn gevallen bekend waarbij de Kraai broedde op de grond, op hoge gebouwen of op hoogspanningsleidingen. Het nest wordt gebouwd in het vroege voorjaar hoog in een kruin van een boom in een sterke vork of direct aan de stam, nog voordat er bladeren aan de bomen zitten.

Het nest is een compact, machtig bouwwerk met een diameter van ongeveer 60cm. De onderbouw bestaat uit sterke, droge takken die met grashalmen, plantenstengels en andere plantendelen doorvlochten zijn. In de slechts 10 cm diepe nestkom bevindt zich fijner materiaal, zoals haren, mos en droog gras. Het nest wordt door beide partners gebouwd, waarbij het werk wordt verdeeld. Het vrouwtje verwerkt het materiaal dat door het mannetje wordt aangebracht. Deze laatste verzamelt hierbij de droge takken niet van de grond, maar breekt deze af.

Eind maart-begin april is het eerste legsel gelegd. Ze broeden, met uitzondering van vervangingslegsels, slechts eenmaal per jaar. Het vrouwtje broedt vanaf het leggen van het eerste ei alleen, terwijl het mannetje haar gedurende die tijd zorgzaam van voedsel voorziet. Het legsel bestaat uit 4-5 blauwgroene eieren in diverse nuances met donkerolijf- tot zwartbruine vlekken. Soms diepzwart vlekken. De 'ondervlekken' schijnen asgrauw door. In een legsel bevindt zich soms een ei met een uitgesproken lichtblauwe schaalkleur en weinig vlekken. De broedtijd duurt 17-18 dagen, waarbij het vrouwtje gedurende de eerste week de gehele dag en later vooral nog 's nachts op de eieren zit. De jongen blijven 31-32 dagen in het nest en gedragen zich zeer stil en zwijgzaam. En omdat de oudervogels ook zeer voorzichtig zijn is het moeilijk een kraaiennest te ontdekken.

Maak jouw eigen website met JouwWeb