Kleine Mantelmeeuw
(larus fuscus)
De Kleine Mantelmeeuw heeft een witte kop en onderdelen en de donkergrijze tot zwarte mantel en vleugels van de adult zijn alleen te verwarren met de veel grotere adult Grote Mantelmeeuw. Hij verschilt hiervan door de minder zware snavel, de lichtgele iris en de gele poten. Juvenielen en de meeste onvolwassenen hebben rozige poten. De Zilvermeeuw heeft altijd een lichtere grijze mantel, kortere poten en vleugels en een dikkere snavel.
De ondersoort graellsii (IJsland, N-, W- en ZW-Europa) en de ondersoort intermedius (Nederland tot ZW-Scandinavië) hebben een minder zwarte mantel dan de Grote Mantelmeeuw. In Nederland broedt de graellsii en/of de intermedius.
De ondersoort heuglini (Z-Kola, arctisch Rusland, mogelijk een ondersoort van de Zilvermeeuw) is nog lichter met contrasterende zwarte vleugelpunten.
De ondersoort fuscus (N-Noorwegen en Zweden tot W-Kola) heeft vaak een mantel die net zo donker is als bij de Grote Mantelmeeuw, de kop met minder winterstreping.
Zijn vlucht is als die van de Zilvermeeuw.
Zijn geluiden zijn minder nors. Juvenielen en onvolwassenen hebben geheel donkere armpennen.
Zijn biotoop is als die van de Zilvermeeuw, vaak in gemengde kolonies.
In Nederland en België broedvogel, doortrekker en wintergast.
L 52-67 / W 135-155 / BJ
Maak jouw eigen website met JouwWeb