Zeekoet
(uria aalge)
De Zeekoet is de algemeenste alk. Hij heeft een lange, rechte ongetekende snavel, veel korter bij de juvenielen. Hij heeft donkere flankstrepen. In de zomer zijn de kop, hals en bovenborst donker. De adult-winter en juvenielen en onvolwassenen hebben een witte keel, zijkop (doorlopen met een zwarte oogstreep), zijhals en bovenborst. De opvallende gebrilde vorm, vooral in het noorden, heeft een smalle witte oogring en een witte lijn achter het oog (deze is als donkere groef zichtbaar bij niet-gebrilde gewone vogels). In de vlucht is de smalle witte streep op de achterrand van de armvleugel zichtbaar.
De arctische ondersoort hyperborea (eenmaal in Nederland) en de N-Atlantische ondersoort aalge hebben een zeer donker zwartbruine kop en bovendelen, minder diep zwart dan de Alk, de kop met bruinachtige waas. De gebrilde vorm is meer frequent bij deze ondersoorten.
De zuidelijke ondersoort albionis heeft een donker chocoladebruine kop en bovendelen, in de winter grijzer getint.
De roep van juvenielen is een schrille fluittoon.
Dicht opeengepakte kolonies op richels van kliffen aan de kust.
Ze leggen 1 ei die peervormig is, ter voorkoming van wegrollen.
In Nederland en België het hele jaar langs de kust, veel talrijker dan de Alk.
L 38-41 / SW 64-70 / J
Nest
De Zeekoet heeft ook de bekende 'vogelbergen', van kleine of grotere, soms zéér grote kolonies op richels en uitsteeksels van steil uit zee oprijzende rotskusten en eilanden in de Atlantische en Stille Oceaan. In grote kolonies is de Zeekoet de meest algemene soort. Zijn buren zijn Alken, Storm- en Drieteenmeeuwen en ook Papegaaiduikers. Ze betrekken hun kolonies in de periode tussen eind april en begin mei en bij het uitkiezen van het territorium komt het vaak tot schermutselingen.
Evenals de Alk bouwt ook de Zeekoet geen nest. Het vrouwtje legt haar enige ei op de kale rotsbodem of op een dun laagje aarde van een vooruitspringende rotsrand of richel. Bij het begin van het broeden vallen er nog wel eens eieren van de rotsen door het wegvliegen van vogels en door onderlinge onenigheden. De rotswanden waarop de eieren liggen zijn soms niet breder dan 20 cm. De vogels nestelen maar 1 maal per jaar, bij verlies van de eieren echter ook twee- tot driemaal.
De eieren zijn zeer variabel van kleur. Ze zijn zonder glans en kunnen qua grondkleur zeer donker zijn, donkergroen of blauwgroen tot lichtbruin of wit. De licht geelbruine tot diepzwarte tekening bestaat uit meer of minder dicht opeenstaande stippen, vegen, vlekken, haaltjes, strepen en aderen. Beide vogels broeden gedurende 28-35 dagen. Na 3-4 weken verlaat het nog geheel onbevederde jong het nest door een sprong in het water of op de rotsige oever.
Maak jouw eigen website met JouwWeb