Bergfluiter
(phylloscopus bonelli)
De Bergfluiter is grijzer dan de Fitis, vooral op de kop, en heeft witte onderdelen. De vleugel- en staartveren hebben opvallende geelgroene randen, de stuit is geelgroen. Hij heeft geen duidelijke wenkbrauw-, oog- en vleugelstreep. De poten zijn vaalbruin, aan de voorzijde vaak donkerder dan aan de achterzijde.
De Westelijke Bergfluiter (p.b. bonelli) als hierboven.
De Balkanbergfluiter (p.b. orientalis - Balkan en oostwaarts; soms als een aparte soort beschouwd) is grijzer op de bovendelen en heeft minder geelgroene slagpenranden. Te verwarren met de grijze Tjiftjaf.
Zijn zang is een vrij korte vlakke triller, zoals een Fluiter, Braamsluiper of Cirlgors. Zijn roep is een langgerekt hoe-iét, duidelijker tweelettergrepig dan die van de Fitis.
Bossen in heuvels (vaak pijnbomen of (kurk)eiken).
In Nederland en België in sommige jaren zingende mannetjes in het voorjaar (beide ondersoorten), incidenteel broedend.
L 11,5 / SW 16-20 / bZ
Maak jouw eigen website met JouwWeb