Staartmezen
(aegithalidae)
Dit zijn kleine meesachtige vogels met een korte snavel en een zeer lange staart (meer dan de helft van de lichaamslengte).
Staartmees
(aegithalos caudatus)
Dit is een kleine kenmerkend zwart, wit en roze gekleurde vogel. De kleur en tekening varieert geografisch. Juvenielen hebben een chocoladebruine baan op de zijkop.
De ondersoort caudatus (N- en O-Europa) heeft een geheel witte kop en wittere onderdelen en meer wit op de armpennen dan de ondersoort europaeus (W- en C-Europa), die een zwarte rug heeft en een brede zwarte wenkbrauwstreep die doorloopt tot het achterhoofd. De vogels in het gebied van Z-Denemarken via N-Duitsland en Z-Polen tot N-Roemenië zijn intermediair tussen de ondersoorten caudatus en europaeus.
Andere ondersoorten vergeleken met de europaeus:
De ondersoort rosaceus (Britse eilanden) is donkerder.
De ondersoort taiti (ZW-Frankrijk, N- en NW-Iberische Schiereiland) heeft een bredere wenkbrauwstreep.
De ondersoort macedonicus (Balkan) is lichter roze van onder.
De ondersoorten met een grotendeels grijze rug:
De ondersoort irbii (Z-Iberisch Schiereiland, Corsica) heeft alleen de bovenrug zwart.
De ondersoort italiae (Italië) is iets groter en heeft meer zwart op de bovenrug, de rest is donkerder grijs.
De ondersoort siculus (Sicilië) is lichter en grijzer, de wenkbrauwstreep bruiner, de kruin bruinwit.
De ondersoort major (Kaukasus) heeft een lichtgrijze rug, de donkere bovenrug is variabel.
De ondersoort tephronotus (Klein-Azië) heeft een geheel lichtgrijze rug, een geelbruine kruin, een zwarte keelvlek en geelbruinachtige onderdelen.
De ondersoort alpinus (NW-Iran) is als de tephronotus maar is donkerder grijs van boven en bruiner van onder.
De ondersoort passekii (ZW-Iran) is lichter van boven, heeft een witte kruin en geen zwart keelvlek.
Zijn roep is een zacht tupp, een snorrend tsirrup en een hoog sie-sie-sie. Zijn zang (zelden gehoord) is gebaseerd op de roepjes.
Zijn vlucht is zwak en golvend, vaak van boom tot boom, elkaar een voor een volgend.
Loof- en gemengde bossen met stuiken. Het karakteristiek eivormig nest wordt gemaakt van mos, korstmos, spinrag en veertjes. Buiten de broedtijd meestal in groepen, vaak met andere mezen.
In Nederland en België een talrijke broedvogel.
L 14 / SW 16-19 / BJ
Nest
De Staartmees broedt in gemengde en loofhoutbossen die veel onderbegroeiing hebben en ook in oude, verwaarloosde tuinen, parken en buitenplaatsen. Het nest wordt gebouwd op een beschermde, schaduwrijke plaats langs de stam of in een vork van een struik op 1-3 m hoogte.
In verhouding tot de lichaamsgrootte van de vogel is het nest groot. Het is buidelvormig, van onderen breder en naar boven smaller wordend. Het is meestal ovaal van vorm, soms kogelrond met een vlieggat aan de voorzijde van 2-4 cm doorsnede. Beide vogels nemen deel aan de gecompliceerde bouw en hebben daarvoor een lange tijd nodig, 9-18 dagen. De eigenlijke bouw wordt door het vrouwtje uitgevoerd, terwijl het mannetje materiaal aanbrengt. De nestwanden zijn sterk en worden met mos, bastreepjes, insectenspinsel en wat paardenhaar tot een viltige massa verwerkt. De buitenwand wordt met korstmossen, de binnenzijde met een massa veertjes bekleed. Het nest is ongeveer 5 cm hoog en 10 cm breed en weegt in droge toestand 40 gram. Soms komen ook nesten met twee openingen voor en ook halfbolvormige, onoverdekte exemplaren.
Het eerste volledige broedsel is in april en gaat door tot in juni. Het eerste broedsel bevat 10-12 eieren, het tweede meestal 6-7 eieren. Deze zijn zonder glans, wit, roomkleurig, lichtgrijsachtig, soms zachtroze-achtig, meer of minder dicht getekend met bleekrode vlekjes en puntjes die doorgaans een krans aan de stompe pool vormen. Geheel of bijna geheel ongevlekte exemplaren komen ook voor. Het vrouwtje begint met of voor het leggen van het laatste ei met broeden. Na 12-13 dagen komen de jongen uit. Ze blijven nog 14 dagen in het nest en worden dan, behalve door de eigen ouders, ook wel door vreemde, ongepaarde staartmezen gevoerd. De jongen van het tweede broedsel worden vaak door hun boertjes en zusjes van het eerste broedsel gevoerd. Een Staartmees die lang heeft zitten broeden heeft vaak een verkreukelde staart, bij het broeden wordt nl. de staart over de rug gelegd.
Maak jouw eigen website met JouwWeb