Ekster
(pica pica)
De Ekster is de enige grote zwart-witte landvogel met een lange trapvormige staart (veel korter bij juvenielen). Hij heeft een paarsblauwe glans op de bovendelen en een groene glans op de staart (niet altijd duidelijk).
De ondersoort mauritanica (N-Afrika) is kleiner met een zeer lange staart, een meer bronsachtige glans, blauw achter het oog, borstels boven het neusgat en een geheel zwarte stuit. In veel opzicht is het bijna een andere soort, komt meestal voor in groepen van tot 25 vogels.
Hij heeft geen duidelijke zang, zijn babbelende subzang is zeldzaam, een muzikaal tjoek, tjoek tijdens de balts. Hij heeft een snelle ratelende en kakelende roep. Sommige geluiden zijn te verwarren met die van de Gaai.
Zijn vlucht is zwakker dan die van typische kraaien, met merkwaardige onregelmatige versnellingen in vleugelslag en ongebalanceerd lijkend door de lange staart.
Op de grond lopen ze of hippen ze zijdelings. Groepen zijn klein, behalve bij slaapplaatsen en tijdens de baltsperiode.
Een talrijk en wijd verspreide standvogel, in gebieden met verspreide bomen (waarin ze hun grote bolvormige nesten maken) en struiken, toendra, bouwland, halfwoestijnen, parken.
L 46 / SW 52-60 / BJ
Nest
De Ekster nestelt in bomen en struiken, meestal zeer hoog zodat zij een goed overzicht over de omgeving hebben, maar soms ook zeer laag tot enkele decimeters boven de grond. Midden in uitgestrekte dichte bossen nestelt hij maar zelden.
Hij maakt meestal meerdere nesten, zogenaamde 'speelnesten'. Deze nesten zijn over het algemeen wat grover gebouwd. Meestal draagt het nest een kap van doornige takken die een zijingang open laten. Het onderste deel van het nest is voornamelijk uit takken opgebouwd, aangevuld met veel aarde, dikwijls gevoerd met plantenvezels, heel zelden met wol, haar of droog gras. Het geheel is zo stevig gebouwd dat een schot hagel noch de eieren noch de broedende vogel raakt.
Hij broedt eenmaal per jaar, bij verlies hebben ze meestal wel een vervangingslegsel. De eieren worden gelegd vanaf april (soms al in maart) tot in juni en het legsel bevat 5-7 eieren, bij uitzondering tot 10 eieren, die van bleek-blauwgroen, soms grijswit, tot groenachtig geel variëren, met grijs- en olijfbruine bovenvlekken en bleekviolette 'ondervlekken'. De vlekken worden aan de stompe pool dichter. De broedtijd duurt 17-18 dagen, waarbij alleen het vrouwtje broedt, heel soms neemt ook het mannetje hieraan deel. Het vrouwtje begint na het leggen van het eerste ei met broeden, waardoor de jongen na het uitkomen verschillen in grootte. Ze blijven 22-24 dagen in het nest. Nadat zij het nest hebben verlaten, verraden ze zich vaak door hun schelle roep als zij gevoerd worden. De familie blijft nog lange tijd nadat de jongen vliegvaardig zijn tezamen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb