Sterns

(sternidae)

 

De meeste sterns zijn als sierlijke kleine meeuwen, met langere spitsere vleugels die gehoekt worden gehouden in de verende vlucht, een duidelijk gevorkte staart, een puntigere snavel, die vaak vrijwel loodrecht omlaag wordt gehouden tijdens het bidden en de speurende vlucht boven het wateroppervlak.

De koppen van alle zwartkoppige sterns worden witter in de winter, met het zwart alleen nog van de achterkruin tot het achterhoofd.

 

Zeesterns

(sterna)

 

De meeste soorten zijn lichtgrijs tot grijs van boven en wit van onder, de adulte met een zwarte kruin en zwart achterhoofd. Het voorhoofd is witter in de winter. De grootste onderscheidende kenmerken zijn de grootte, snavelkleur en roep.

Juvenielen zijn zwart of bruin gevlekt op de bovenzijde.

De vlucht gaat duidelijker op en neer, met verende vleugelslagen, dan bij meeuwen.

Ze zijn zeer luidruchtig in broedkolonies. Ze nestelen op de grond, meestal op zand- en kiezelbodems of rotseilandjes in zee.

reuzenstern

koningsstern

grote kuifstern

bengaalse stern

sierlijke stern

dougalls stern

noordse stern

visdief

forsters stern

arabische stern

dwergstern

saunders' dwergstern

amerikaanse dwergstern

brilstern

bonte stern

grote stern

aleoetenstern

lachstern

Moerassterns

(chlidonias)

 

Moerassterns zijn kleiner dan alle zeesterns, behalve dan de Dwergstern. In de winter hebben ze ook lichtgrijze bovendelen en een wit voorhoofd en witte onderdelen, maar de vleugels zijn breder, de start is minder diep gevorkt en de snavel is kleiner. De poten zijn rood.

De vlucht is kenmerkend, sierlijk. In de vlucht pikken ze iets van het wateroppervlak en soms duiken ze plotseling richting het water, maar zelden duiken ze onder.

Zoet- en brakwaterplassen, moerassen. Tijdens de trek en in de winter vaak in kustwateren.

zwarte stern

witvleugelstern

witwangstern

noddy